Op gespannen voet staan met de tijd

Joke Hermsen Foto Vincent Mentzel

Joke J. Hermsen: Blindgangers. De Arbeiderspers, 370 blz. € 19,95.

In Stil de tijd (2009) hield filosofe Joke Hermsen een uitgebreid pleidooi voor onthaasting. We moeten af van de terreur van de klokuren, viel in haar essays over uiteenlopende kunstenaars steeds opnieuw te lezen. In plaats daarvan moeten we onze innerlijke tijd gaan ontdekken. Die ‘ware tijd’ krijgen we niet te pakken door jachtig achter de feiten aan te hollen, maar door ons te vervelen, door te mijmeren, door maar wat voor ons uit te staren. Dan krijgen we, als het goed is, op zeker moment de geest, en komt er vanzelf iets boven borrelen – al was het maar een glimp van ‘het ware, het schone of voor mijn part het goede’.

Hoe zit het met de tijdsbeleving in de romans van Joke Hermsen?

In de vermakelijke universiteitssatire De profielschets (2004) wist zij, in navolging van schrijvers als Virginia Woolf en James Joyce, de tijd flink op te rekken. Een hele reeks gebeurtenissen speelde zich af op één dag, net als in Mrs Dalloway en Ulysses. Ook haar kloeke nieuwe roman, Blindgangers, is gebouwd op zo’n stramien: er gebeurt veel in een beperkt aantal klokuren.

Anders dan De profielschets, waar het deels een vervolg op is, speelt Blindgangers zich niet af onder professoren, maar in een Amsterdamse vriendengroep. De vrienden kennen elkaar van vroeger en vooral van het filosofische genootschapje dat ze halverwege de jaren tachtig oprichtten. Om het 25-jarig bestaan te vieren van ‘Nil desperandum’ (‘Gij zult niet wanhopen’), komen ze een weekend samen in een huisje in Drenthe, in winterse omstandigheden. De romantijd valt, toeval of niet, mooi samen met de actualiteit: ook bij Hermsen komen de rayonhoofden bijeen om te kijken of er een Elfstedentocht mogelijk is.

Verder neemt ze royaal de tijd om haar zes hoofdfiguren te introduceren en van alle kanten te belichten. De huwelijksproblemen, de ontslagprocedures, de echtscheidingsperikelen, de moeizame contacten met de kinderen, de artistieke frustraties – ze worden stuk voor stuk doorgenomen.

Ook hedendaagse kwesties komen aan bod, tijdens de vele gesprekken en discussies die de vrienden met elkaar voeren, zoals het strenge asielzoekersbeleid, de opkomst van de economische grootmacht China, de euro- en de klimaatcrisis, de verloedering van de Nederlandse taal door e-mail, sms en twitter, ‘de pedofilisering’ van de vrouw, die zich tegenwoordig wat al te drastisch zou ontharen en, interessant, de vraag of een mens een ziel heeft en een vrije wil, of alleen maar samenvalt met zijn brein.

De vrienden zelf, allemaal zo tegen de vijftig, staan duidelijk op gespannen voet met de tijd. Ze zijn voortdurend nerveus in de weer met hun mobieltjes, tobben over de zin van het leven, vragen zich af waar hun idealen zijn gebleven en betwijfelen of ware liefde en echte vriendschap nog wel bestaan. Tijdens het weekend loopt de onderlinge spanning geleidelijk op, terwijl ook daarbuiten, bij de in Amsterdam achtergebleven kinderen, een rare toestand aan het ontstaan is.

Hermsen werkt gewiekst toe naar een krachtig slotakkoord, een heuse catastrofe, met een dode en een zwaargewonde. Maar als de kruitdampen zijn opgetrokken, blijkt er uit alle ellende toch ook nog iets moois te kunnen opbloeien.

Ik vergeleek Hermsen met Woolf en Joyce, wat het oprekken van de tijd betreft. Maar er is ook een duidelijk verschil tussen haar en deze bewonderde voorgangers. Dat zit vooral in de manier van vertellen. Die is bij Hermsen niet experimenteel of (post)modernistisch, maar ouderwets breedvoerig, zodat er weinig aan de verbeelding wordt overgelaten. Dat is het zwakke punt van de roman, die verder avontuurlijk genoeg is. ‘Wat doet mij nog doorgaan?’ verzucht tekenlerares Iris meer dan eens, net iets te gezwollen.

Over dezelfde Iris wordt gemeld dat ze soms badend in het zweet wakker wordt. Ze is in de overgang. Maar dat woord is Hermsen waarschijnlijk net iets te gewoon. Het zweten, lezen we, ‘was slechts een symptoom van de levensfase waarin ze zich thans bevond.’ Of neem schrijfster en dichteres Det, die ook al in eerdere romans van Hermsen voorkwam.

Zij trekt zich af en toe terug uit het gezelschap van haar vrienden om op haar laptop een paar zinnen te kunnen tikken. ‘Ogenschijnlijk ben ik het meest aanwezig als ik omringd word door anderen’, noteert ze. ‘Maar het gekke is dat juist in dat voortdurend aangesproken worden mijn aanwezigheid op een gegeven moment omslaat in een verlies. [...] Mijn mond vertrekt mechanisch en stuipachtig, mijn lach wordt gedwongen, mijn ogen weerspiegelen op het laatst alleen nog de holle leegte van binnen.’ Hier is geen schrijfster aan het woord, maar iemand die dat graag wil zijn.

De roman als geheel maakt een nogal doorgeregisseerde indruk. Hermsen wil graag suggereren dat zij explosief materiaal in handen heeft. Haar personages zouden ‘blindgangers’ zijn: granaten die niet zijn afgegaan en dus nog bij elke aanraking kunnen ontploffen.

Inderdaad eindigt het verhaal met een uitslaande brand. Op de achtergrond zien we steeds Hermsen staan die de gebeurtenissen van een verklaring en een diepere betekenis voorziet. ‘Het ware, het schone of voor mijn part het goede’ schemert er net iets te opzichtig doorheen. De standpunten zijn duidelijk. Ja, een mens is meer dan zijn brein. Nee, een vrouw moet niet financieel afhankelijk willen zijn van haar man. Ja, ware liefde heeft kans van bestaan. Nee, niemand hoeft te wanhopen, want een nieuw begin is weggelegd voor iedereen die daarvoor open staat. En ja, wie de tijd neemt om na te denken, te mijmeren en te schrijven, weet ook de gevaarlijkste blindgangers van deze wereld kalmpjes te ontmantelen.

    • Janet Luis