Onduidelijk of voorschoolse educatie nuttig is

Kinderen van twee tot zes jaar met leerachterstanden hebben mogelijk geen baat bij de extra lessen die ze nu krijgen. Het effect van de zogeheten voor- en vroegschoolse educatie is namelijk niet aangetoond. De gebruikte lesmethoden hebben „hooguit op onderdelen en onder optimale condities” effect.

Dat blijkt uit onderzoek van Geert Driessen, verbonden aan het Instituut voor Toegepaste Sociale Wetenschappen van de Radboud Universiteit Nijmegen. Daarin trekt hij nog een opmerkelijke conclusie: van de instrumenten die worden gebruikt om vast te stellen of een kind een onderwijsachterstand heeft, is ook niet zeker dat ze meten wat de gebruiker verwacht dat ze meten.

De verantwoordelijkheid voor de voor- en vroegschoolse educatie van kinderen van twee tot zes jaar ligt sinds 1998 bij de gemeenten en sinds 2006 ook deels bij de plaatselijke schoolbesturen. Het idee hierachter is dat de achterstandssituatie per gemeente verschilt, en dat het daarom beter is lokaal en niet landelijk beleid te ontwikkelen. Dit heeft ertoe geleid, aldus Driessen, dat „elke gemeente aan de slag is gegaan met het opnieuw uitvinden van het wiel”. In de kleinere gemeenten, waar budget en expertise beperkt zijn, duurt het ook relatief lang voordat er methoden zijn ontwikkeld.

Driessen vraagt zich af of de decentralisatie wel zo gunstig heeft uitgepakt. „Onderwijsachterstanden van allochtone en autochtone kinderen doen zich immers overal in het land voor en de oorzaken zijn in grote lijnen ook overal hetzelfde. Waarom zouden dan de remedies van gemeente tot gemeente of zelfs van instelling tot instelling uniek moeten zijn?”

Minister Van Bijsterveldt (Onderwijs, CDA) heeft deze kabinetsperiode 165 miljoen euro extra uitgetrokken voor de voor- en vroegschoolse educatie. Op dit moment ontvangen de basisscholen 400 miljoen euro en de gemeenten, die verantwoordelijk zijn voor de educatie van kinderen van jonger dan vier jaar, 261 miljoen euro per jaar. Dat geld kan beter worden besteed, concludeert Driessen. Als er meer samenwerking tussen gemeenten komt en de screeningsmethoden om achterstanden vast te stellen centraal worden ontwikkeld, zal dat „uiteindelijk een stevige besparing opleveren”.