Nieuw vogelgriepvirus is vooral slecht nieuws voor fretten

De vrees voor publicatie van Rotterdams onderzoek naar de vogelgriep is onnodig, stelt Miquel Ekkelenkamp. Mensen hebben van die mutant niets te vrezen.

Onderzoekers en farmaceuten over de hele wereld zetten zich dagelijks in om ons bang te houden voor influenza. Belangrijk werk waarin zij bijzonder succesvol zijn. Immers, bij het horen van het woord griep, en al helemaal bij het woord ‘vogelgriep’, slaat bij bestuurders en politici universeel de paniek toe.

Recent kwam er een reden bij om bang te zijn. Rotterdamse en Japanse onderzoekers slaagden er namelijk in H5N1 (de vogelgriep) zover te laten muteren dat het kon worden overgedragen van een fret in de ene kooi op de fret in de kooi ernaast.

Dit onderzoek heeft, onterecht, nogal wat commotie veroorzaakt. Terroristen zouden volgens sommigen het experiment kunnen nadoen; ze zouden zelf een virus kunnen laten muteren en vervolgens dit gemuteerde virus los kunnen laten om een dodelijke epidemie van bijbelse proporties te veroorzaken. Deze angst heeft het Amerikaanse National Science Advisory Board for Biosecurity (NSABB) ertoe gebracht publicatie van het grootste deel van het onderzoek te verbieden. (Het onderzoek werd grotendeels betaald door een Amerikaanse militaire opdrachtgever.) Verstand van microbiologie en infectieziekten is kennelijk geen vereiste om toe te treden tot de NSABB.

Om te beginnen zijn de bevindingen helemaal niet schokkend: dat H5N1, bij hoge uitzondering, besmettelijk kan zijn van mens op mens was al beschreven in de praktijk. Het virus hoeft daarvoor niet eens te muteren, de twee personen moeten alleen heel dicht bij elkaar in de buurt blijven (bijvoorbeeld in twee kooien naast elkaar). Ontzettend veel ziektes kunnen onder uitzonderlijke omstandigheden van mens op mens worden overgedragen (tot en met Q-koorts en hondsdolheid toe), maar dat betekent nog niet dat ze epidemieën kunnen veroorzaken. Labexperimenten staan mijlenver af van wat in de echte wereld mogelijk is.

Dat geldt des te meer voor het influenza-frettenmodel, dat inmiddels een bijzonder slechte reputatie heeft. Zo was het waardeloos voor het voorspellen van de gevolgen van de Mexicaanse griep: hieraan overleed naar schatting 1 op elke 30.000 menselijke patiënten, terwijl de fretten er allemáál aan onderdoor gingen.

Al eerder bleek het model niet te werken voor het (gereconstrueerde) Spaanse griepvirus. Ook dit virus was voor bijna alle laboratoriumfretten dodelijk, terwijl in 1918 hooguit één op de honderd zieke mensen eraan stierf (en waarschijnlijk nóg honderd keer minder – de meeste sterfte tijdens de Spaanse griep was het gevolg van bacteriële infecties).

Fretten zijn, inderdaad, geen mensen.

Ongetwijfeld zijn er genoeg mensen die door het bovenstaande niet worden gerustgesteld, en die bovendien geloven dat er terroristen of psychopaten rondlopen met uitgebreide labfaciliteiten, toegang tot het H5N1-virus en een afkeer van het gebruik van meer conventionele terreurmiddelen als tweedehands kernwapens, gifgas en anthrax. Zelfs als deze angsten enige realiteitszin zouden herbergen, dan nog moet het onderzoek gewoon worden gepubliceerd: het kwaad is in dat geval immers al geschied.

De Rotterdamse experimenten waren niet bijzonder of vernieuwend en, zoals de onderzoekers zelf stellen in een commentaar in het blad Science, in principe kan iedereen met basale virologische expertise ze nadoen. Sterker nog: zestig jaar geleden konden we dat al.

Via de media weten we nu dat door het consequent (een keer of tien) overenten van H5N1-virus van fret op fret dit uiteindelijk muteert en iets makkelijker overgedragen wordt.

Deze kennis is alles wat telt; terroristen die voorheen waren gestopt bij zes keer overenten van virus tussen fretten, weten nu dat ze nog een paar keer moeten doorgaan. Het publicatieverbod onthoudt ons de hogere moleculaire biologie van het onderzoek (wélke mutaties er precies ontstaan), maar deze is volslagen irrelevant. Om het virus na te maken heb je niet meer nodig dan een roedel fretten, een chirurgisch mes en een mondkapje.

In de vorige eeuw is uitgebreid geëxperimenteerd met biologische wapens, maar keer op keer moesten deze het qua gebruikersgemak en dodelijkheid afleggen tegen het simpelweg opblazen van tegenstanders. Toch hebben wij als mensen een genetisch ingebouwde angst voor alles wat riekt naar epidemie en infecties. Dat is alleen maar goed; het is immers heel, heel belangrijk dat we doodsbang blijven voor influenza.

Miquel Ekkelenkamp is arts-microbioloog, romanschrijver en publicist.

    • Miquel Ekkelenkamp