Natuur kan leren van aanpak monumentenzorg

De bezuinigingen op de natuur zijn onaanvaardbaar. Toch is er weinig draagvlak voor natuurbehoud. Dit komt doordat onduidelijk is wie verantwoordelijkheid draagt voor de terreinen. Neem een voorbeeld aan monumentenzorg, schrijft Pieter van Vollenhoven, en verbeter de financiering. Nederlanders hebben recht op een goed leefmilieu.

Ieder individu heeft recht op bescherming van het leefmilieu, zoals hij ook recht heeft op onderwijs, op vrijheid, op gezondheid. In onze Grondwet zijn deze rechten verankerd. En in internationale verdragen hebben we de bijbehorende plichten afgesproken.

De bezuinigingsplannen van het kabinet zetten de natuur in Nederland zwaar onder druk. Ze tasten daarmee ook het recht aan op bescherming van het leefmilieu.

Het besef dat de natuur een bezuinigingsaanslag van ruim 60 procent niet zal overleven, is inmiddels breed doorgedrongen. Het is het rijk sinds het Regeerakkoord 2010 dan ook nog niet gelukt om met de provincies tot een natuurakkoord te komen.

Het is niet de eerste keer dat er een aanslag is gepleegd op de natuur. Tussen 1900 en 1970 is de oppervlakte aan natuur gehalveerd door ruilverkavelingen, verstedelijking en wegenbouw. Het landbouwareaal bleef tussen 1900 en 2000 overigens stabiel. De groene ruimte kon deze aanslag dus wel overleven, maar de natuur niet.

De natuur raakte in die periode sterk versnipperd. Als antwoord daarop kwam Nederland in 1990 met een herstelplan: de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Dit plan beoogde de natuur uit te breiden – van de resterende 480.000 hectare naar zo’n 750.000 hectare – én de versnipperde delen met elkaar te verbinden. De bedoeling was om in 2018 klaar te zijn. Een investering van 3 miljard euro in 28 jaar.

We zijn er echter niet in geslaagd om dit doel te bereiken. In 2008 was het begrote bedrag voor de EHS al op, terwijl pas de helft was gerealiseerd. Dit is niet aanvaardbaar, net zo min als de huidige bezuinigingsaanslag aanvaardbaar is.

Het natuurbeleid van de toekomst kan veel leren van de manier waarop de monumentenwereld is georganiseerd en gefinancierd. Het rijk kent een referentiekader voor de aanwijzing van de rijksmonumenten, de provincies kennen dat voor de aanwijzing van hun provinciale monumenten en de gemeenten voor hun gemeentelijke monumenten. Door deze aanwijzingen en het bestaan van die drie categorieën is er absoluut voor iedereen duidelijkheid op dit gebied.

Voorts heeft het rijk 450 beschermde stads- en dorpsgezichten aangewezen. Zo’n 80 procent van de beschermde monumenten bevindt zich hierbinnen. Dit beleid wordt door velen op handen gedragen. De succesvolle Open Monumentendagen die nu 25 jaar bestaan, zijn hiervan het bewijs.

Tussen 1980 en 1995 kampte de monumentenwereld ook met bezuinigingen. Noodgedwongen zijn er toen enkele monumenten gesloopt, omdat er geen geld was voor herstel. De afbraak bleef gelukkig beperkt, mede door de komst van het Nationaal Restauratiefonds in 1986. Dit fonds is voor de monumentenwereld uiteindelijk van grote betekenis geweest. Het heeft ervoor gezorgd dat 70 procent van alle monumenten wordt onderhouden en gerestaureerd uit laagrentende leningen. Nu gaat nog maar 30 procent van alle restauratiekosten via subsidies. De laagrentende leningen werkten als een multiplier, ze leiden tot een veel groter volume aan investeringen en bestedingen.

De tijd is aangebroken om deze ervaringen te vertalen naar de wereld van de natuur. Ik wil onderzoeken of je in de toekomst niet kunt werken met een heldere indeling in gemeentelijke, provinciale en rijksnatuurmonumenten. De huidige indeling van natuurgebieden (Natura 2000 gebieden, EHS, Nationale Parken, Nationale Landschappen, rijksbufferzones, Recreatie om de Stad et cetera) is niet alleen verwarrend maar bevordert ook geen draagvlak. Een aanwijzing in gemeentelijke, provinciale en rijksnatuurmonumenten is van grote betekenis voor de duidelijkheid van waar we het eigenlijk over hebben. Zo’n aanwijzing vraagt om regie. Onze eigen regie. Niet Brussel maar wijzelf bepalen welke natuur wij in Nederland willen behouden. Brussel geeft alleen aan wat de absolute minimumverplichtingen zijn waar we ons aan moeten houden.

Daarnaast wil ik onderzoeken in hoeverre de huidige 100 procent subsidie omgezet kan worden naar laagrentende leningen met een looptijd van bijvoorbeeld dertig jaar. Leningen moeten worden terugbetaald en komen – net als in de monumentenwereld – terecht in een revolverend fonds, dat wederom kan worden gebruikt voor hetzelfde doel. Dit betekent dat onze natuurmonumenten geld moeten verdienen. Dat kan in een aantal gevallen prima, zonder dat dit de natuur behoeft aan te tasten.

Als de restauratie van een monumentaal pand gereed is, dan is er feest. Iedereen is aanwezig, vertegenwoordigers van het rijk, provincie en gemeenten en groepen uit de samenleving. Ik ben nu 25 jaar voorzitter geweest van het Restauratiefonds en 15 jaar voorzitter van het Groenfonds. Maar feesten in de groene wereld heb ik zelden meegemaakt.

Ten slotte: ‘de vis mist de zee pas als ze op de kar ligt’. Dat geldt ook voor de mens in relatie tot de natuur. Pas als de natuur verdwenen is, wordt ze pijnlijk gemist. Zo’n ervaring moeten we onszelf niet willen aandoen. Daarom roep ik in het debat op tot een andere aanpak, de aanpak van de monumentenwereld. Een aanpak die zich bewezen heeft en navolging verdient.

Professor mr. Pieter van Vollenhoven is voorzitter van het Nationaal Groenfonds en van het Nationaal Restauratiefonds.