Lof der kwijtschelding

Schuld vormt al eeuwen het weefsel van samenlevingen, laat antropoloog David Graeber zien in een briljant boek. Maar dan moeten schuldenaren wel menselijk behandeld worden, anders volgt opstand en scheurt dat weefsel snel. Dus waar is die mooie traditie van periodieke kwijtschelding gebleven?

David Graeber: Debt. The First 5000 Years. Melville House, 554 blz. € 28,95

Waarom roofde de Spaanse ontdekkingsreiziger Hernán Cortés alles wat los en vast zat, begin zestiende eeuw, in het rijk van de Azteken? Waarom richtten Cortés’ soldaten zulke onbeschrijflijke bloedbaden aan onder de bevolking? Simpel, schrijft de Amerikaanse sociaal antropoloog David Graeber in zijn fascinerende boek Debt. The First 5000 Years: Cortés had schulden, veel schulden. En anders dan de traditionele geschiedschrijving vermeldt, joegen Cortés’ Conquistadores niet alleen in naam van het katholieke geloof honderdduizend Azteken over de kling. Welnee, schrijft Graeber, citerend uit getuigenissen van expeditieleden. Pas toen ze in Mexico aankwamen, ontdekten de soldaten dat ze Cortés moesten betalen voor hun uitrusting en ziekenzorg. Na al hun ontberingen verwachtten ze een beloning, maar ze bleken hevig bij hun aanvoerder in het krijt te staan. De stoppen sloegen door. Gedreven door schaamte, radeloosheid en uitzinnige woede (over die schulden), gedroegen ze zich op hun rooftochten als beesten.

Nu wij zelf middenin een schuldencrisis zitten, is het de moeite waard om Graebers boek te lezen. Amerikaanse steden sluiten scholen en ziekenhuizen omdat er geen geld meer is. De Grieken, die ‘zondaars’, snijden hard in eigen vlees maar nóg worden hun schulden niet minder. Ook in andere Europese verzorgingsstaten wordt zo drastisch bezuinigd dat sociale explosies dreigen. En politici sluiten het ene verdrag na het andere om landen met een te hoge schuld te bestraffen.

Hoe zijn we in deze spiraal terechtgekomen? Is onze neiging om schuld haast ritueel in de ban te doen, de beste manier om uit deze crisis te komen? Als wij ons eigen handelen kritisch willen bekijken, vinden we bij economen weinig soelaas. De crisis bewijst dat economische modellen hebben gefaald. Die gingen ervan uit dat de mens, vanuit zijn eigen belangen geredeneerd, rationeel handelde. Maar afgelopen decennia hebben huizenbezitters, zakenbankiers, derivatenhandelaars en centrale bankiers minder koel gehandeld dan in de handboeken stond. Zij gingen deels irrationeel te werk. De crisisboeken waar je het meest van opsteekt, gaan over die irrationele menselijke drijfveren. Deze boeken worden geschreven door antropologen en sociologen. Ze staan vol inzichten die vaak niet nieuw zijn, maar waar weinigen afgelopen decennia – utopische vooruittgangsjaren – oog voor hadden. Sommigen stoffen dit materiaal nu af en gebruiken het om de crisis een andere, confronterende verhaallijn te geven. Dat deed bijvoorbeeld Financial Times-journalist en antropologe Gillian Tett met het boek Fool´s Gold (besproken in Boeken,17-06-09) en de Belgische socioloog Paul Jorion met Le Capitalisme à l’Agonie.

Nu is daar de Amerikaan David Graeber, nu tijdelijk hoogleraar aan de Londense universiteit Goldsmiths. In Debt trekt hij conclusies die haaks staan op wat we op school hebben geleerd. Bij economie is les één dat de mens in den beginne aan ruilhandel deed: ‘Ik ruil mijn varken tegen jouw kippen/dochter/ kar’. Maar het was moeilijk om gelijkwaardig ruilmateriaal te vinden, en ij verre transacties werkte het niet. Dus ging men munten gebruiken. Pas later kwam virtueel geld, met zijn complexe kredietsystemen.

Graebers bevinding is, opmerkelijk genoeg, dat deze drie fases elkaar altijd hebben afgewisseld. Dat wordt begrijpelijk als je accepteert dat ruilhandel niet alleen primitief is, maar heel beschaafd kan zijn. Bij een ruil staken mensen zelden gelijk over, stelt Graeber. Ze zeiden eerder: ‘Ik geef jou een varken en als ik iets van jou nodig heb, meld ik me’. Zo dienen schulden in een samenleving als het cement van sociale relaties. Mensen leven er permanent mee. Iedereen heeft ze, bij iedereen. Zo’n ruilsysteem wordt vanzelf een kredietsysteem. Vertrouwen, zelfbeheersing en sociale controle zijn cruciaal, anders werkt het niet. Kredietsystemen werden in vredestijd (als vertrouwen gedijt), al in 3000 voor Christus in Mesopotamië gebruikt – lang vóór munten werden ingevoerd. Anders dan nu werd ‘schuld’ toen niet alleen als slecht gezien. Vaak konden schulden niet helemaal vereffend worden. Als er een nieuwe koning aantrad, werden veel schulden weggestreept. De principes van het jubelfeest vind je terug in de bijbel. Ook speelden rijkdom en sociale status van beide partijen mee. Hoe gelijker de mensen, hoe gelijker de terugbetaling. Als een prins een arbeider iets gaf, verwachtte die zelden iets gelijkwaardigs terug.

Als samenlevingen overgingen op munten was er meestal oorlog en geweld in het spel. Als Romeinse keizers of Chinese dynastieën ten strijde trokken, moesten ze de soldaten betalen: je kunt geen varkens of kippen als betaling naar een ver front slepen. Cash is handiger.Met leningen kom je er evenmin: niemand leende een soldaat iets. In de Middeleeuwen gebruikten delen van Europa kredietsystemen.

Sinds 1971, toen de Amerikanen de goudstandaard loslieten, hebben wij weer een kredietsysteem. Bij deze overgangen, aldus Graeber, is er één constante: ‘Macht en schuld gaan samen. Krediet kan worden gebruikt om mensen onder controle te krijgen en te houden.’ Macht wordt nog vergroot doordat schuld een negatieve morele lading heeft. Wie schulden heeft, is slecht. Vandaar dat Mesopotamiërs die hun schulden niet konden afbetalen, slaven werden. Hetzelfde geldt nu in zekere zin voor Amerikanen met hoge hypotheken, die zijn overgeleverd aan schuldeisers. En voor de Grieken: Duitsland wil eerst afbetaald worden, dan pas mag de Griekse regering salarissen betalen.

Eigen schuld dikke bult? Nee, nuanceert Graeber, want ook de schuldeiser heeft door de eeuwen heen een slechte reputatie gehad: die van krent en uitbuiter. Marx zag al dat een kredietsysteem exploitatieve potentie heeft, en dat je dus moet voorkomen dat al het geld in een samenleving zich ophoopt bij een paar mensen die vervolgens de rest aan zich onderwerpen. Oude samenlevingen met kredietsystemen kenden deze ambivalentie: schuld was slecht, en toch scholden zij geregeld schulden kwijt en kenden ze regels om debiteuren te beschermen. Graeber geeft diverse voorbeelden van gemeenschappen die schulden als draad in het sociale weefsel zagen. Wat hem opvalt, is dat het nu compleet anders is: in onze wereld beschermen regeringen de schuldeisers. Schuld moet worden terugbetaald, punt uit.

Wat ons onderscheidt van onze voorvaderen is dus niet het feit dat wij credit cards hebben en andere complexe vormen van virtueel krediet, maar de onwil van onze politieke leiders om schuld van burgers kwijt te schelden, terwijl grote banken de ene bail out na de andere krijgen. Niet alleen landen doen dit, het is mondiaal niet anders: landen hebben internationale instituties als het IMF opgericht om te zorgen dat iedereen zijn schulden afbetaalt.

Als Jantje iets heeft geleend aan Pietje, en het terugwil, kan hij Pietje op veel manieren onder druk zetten. Maar er zijn grenzen, want Pietje is een mens. Op het moment dat de schuld wordt uitgedrukt in geld, dehumaniseert de verhouding tussen Jantje en Pietje tot een kil bedrag. Schuld, stelt Graeber, heeft een plek in de omgang tussen mensen. Geld niet. En de jacht op geld ook niet. Dat maakt het voor Jantje makkelijker om Pietje gruwelijk te behandelen. Slavenhandelaars hieven plotseling een ‘belasting’ en verscheepten dan die lieden die niet konden betalen. Na 1914-1918 kreeg Duitsland onmogelijk hoge herstelbetalingen opgelegd. De Duitse schande en woede hierover hielpen de weg voor Hitler te bereiden. Ook in sommige kruistochten, schrijft Graeber, speelde schuld mee als motief. Debt staat vol voorbeelden van mensen en volkeren die vanwege schuld tot gruweldaden kwamen. ‘Revoluties beginnen vaak met schuld. Boerenopstanden heeft altijd hetzelfde programma: eerst verbranden ze alle schuldpapieren. Daarna pas belastingdocumenten en kadasters.’

Aan het slot trekt Graeber, die sympathiseert met de Occupy-beweging, parallellen met het heden. Niet het interessantste deel, want de lezer had die parallellen allang getrokken. Hij heeft Graeber niet meer nodig om hem te vertellen dat het kapitalisme sinds de val van de Muur gedoemd is, omdat sindsdien de remmen van kredietverlening zijn losgegooid. De kracht van dit boek is dat Graeber toont dat het resultaat, almaar meer schuld, ons maatschappelijk leven verwoest.

    • Caroline de Gruyter