'Ik wilde de dood een mep geven'

Bij haar debuut dacht Mensje van Keulen dat ze de vijftig niet zou halen. Veertig jaar en zo’n dertig boeken verder publiceert ze op Valentijnsdag een nieuwe roman over dood en liefde. ‘Dit is geen boek dat de liefde probeert te verklaren.’

MENSJE VAN KEULEN, schrijfster. Amsterdam, 07-02-2012. Foto: Leo van Velzen NrcHb.

‘Nu ben ik even op’, verklaart Mensje van Keulen aan de vooravond van de verschijning, op 14 februari, van haar nieuwe roman met de toepasselijke Valentijnstitel Liefde heeft geen hersens. Ruim 40 jaar schrijverschap heeft Van Keulen erop zitten en het nieuwe boek is haar eerste roman in zes jaar. Niet dat ze er afgepeigerd uitziet wanneer ze ons ontvangt in haar Amsterdamse hofje. Integendeel. We worden hartelijk ontvangen met thee en koekjes, ook de fotograaf verzekert haar dat ze er goed uitziet.

„Ik mopper veel te veel, denk ik wel eens. Ook als ik aan het schrijven ben, kan ik behoorlijk lopen mopperen als het niet lukt. Dat is niet altijd leuk voor mijn omgeving, want ik vertel nooit waar ik mee bezig ben. Niet aan mijn man, niet aan mijn uitgever. Ik moet er niet aan denken dat ik de magie zou verstoren door er ook maar iets over te zeggen.

„Dat is niet zozeer bijgeloof. Iemand die in mijn verbeeldingswereld zou treden: dat gaat niet, nee echt niet! Dan moet het maar zo – me afzijdig houden of mopperen, met het risico dat het mislukt.”

De eenzelvigheid heeft goed uitgepakt bij Liefde heeft geen hersens. In haar vertrouwde strakke stijl beschrijft Van Keulen vanuit twee vertelperspectieven de dood van een balletdanseres. De eerste stem is die van buurvrouw Romy, die, wanneer ze de vrouw dood ziet zitten in de stoel, vreest dat haar eigen zoon schuldig is aan het overlijden. De andere stem is die van de conciërge, die een stille, beklemmende liefde opvat voor Romy, maar haar er ook van verdenkt een dubieuze rol te hebben gespeeld bij de dood van de danseres.

„Het wonderlijke van fictie”, zegt Mensje van Keulen, „is dat je het bij elk verhaal anders moet aanpakken, andere personages, een andere toon. Het verhaal speelt maar in een paar dagen en het is chronologisch, of het nu vanuit hem of vanuit haar is verteld. Ik schrijf ook chronologisch, en dan bedoel ik vanaf pagina één. Het een komt uit het ander voort. In mijn laatste bundel, Een goed verhaal, staan een paar verhalen in de tegenwoordige tijd. En in 1970 schreef ik een kort verhaal ‘De Breuk’, vanuit twee perspectieven. Maar het is voor het eerst dat ik die techniek in een roman toepas.”

Hoe is dat bevallen?

„Nou ja, ik heb natuurlijk wel weer lopen mopperen, al stelt dat niet werkelijk iets voor, maar ik wist na een paar maanden wel dat ik er greep op had. Het dubbele perspectief maakt, zei mijn uitgever en daar heeft hij gelijk in, dat er zich voortdurend van alles in de hoofden afspeelt: achterdocht, argwaan, liefde die verborgen blijft, verdachtmakingen, wensen.

„De liefde is gecompliceerd, ook in dit boek. Zowel de liefde van de conciërge voor Romy, als die van Romy, die met een achterwaartse blik van haar man is blijven houden. Maar ja, welke liefde is niet gecompliceerd? Het is natuurlijk geen verklarend non-fictieboek over de liefde, het is in de eerste plaats een vertelling.”

Wat is het verschil? U heeft ooit gezegd dat fictie de werkelijkheid verhevigt.

„Ik merk vaak dat mensen ervan overtuigd zijn dat een realistische roman wel autobiografisch móet zijn, of dat je op zijn minst het verhaal ergens zal hebben gehóórd, maar zo is het niet. Als je ouder wordt zie je meer, weet je meer en heb je meer ervaring. Maar ook dan blijft de verbeelding voorop staan. Het feit dat je zo lang aan een boek werkt voordat je het je eigen maakt, en voordat je personages sterk voor je gaan leven, dat hoort bij de kracht van fictie. Je krijgt meer scherpte dan wanneer je een non-fictief verslag zou maken over een paar mensen en een gebeurtenis.

„Ik begrijp niet dat sommige schrijvers beweren dat ieder boek autobiografisch is. Zo is het niet. Je personages en hun verhaal worden een deel van je leven, maar dat is niet autobiografisch.”

Waargebeurd lijkt vaker een maatstaf te zijn.

„Ik ben er zelf een keer aan begonnen. Olifanten op een web (1997) was een boek over het overlijden van mijn moeder. Het werken daaraan verliep heel anders. Ik wist: nu ga ik dingen opschrijven die wáár zijn. Ik wilde vertellen over een vrouw die zich vanaf haar twaalfde voor iedereen opofferde. Het boek moest een ode worden, maar ook gaan over de dood, de dood die je iemand ontneemt en die je van kind af aan angst aanjaagt. Met dat boek kon ik daar eindelijk iets aan doen, een mep aan de dood geven en de moeder in zekere zin behouden.

„Ik geef de voorkeur aan fictie, maar ik doe daar lang over. Drie jaar geleden kwam er een verhalenbundel uit, zes jaar geleden een roman. Olifanten op een web schreef ik binnen een jaar. Je hebt houvast bij non-fictie, je hebt altijd de feiten. Bij fictie is dat niet het geval.”

In ‘Olifanten op een web’ speelt de rol van het geloof, met een protestantse vader en een katholieke moeder en vooral een katholieke oma een rol. Dat thema keert terug in enkele verhalen. Dat is dan toch autobiografisch?

„Als je begint met schrijven verwerk je toch wat dingen uit je jeugd. Achteraf denk je: wat heb ik die arme ooms en tantes aangedaan. Gaandeweg is het steeds meer fictie geworden.”

En de dood, die ook in ‘Liefde heeft geen hersens’ terugkeert?

„Eerst was ik van plan om in Liefde heeft geen hersens veel dood te verwerken – ik wilde meer de duistere kant zou op. Maar ik merkte dat Romy daarvoor te levendig was. Ze zegt ook dat ze zelf als gastvrouw op een kerkhof vooral te maken heeft met de levenden. De balletdanseres is dood, maar ze was al oud. Het is niet echt iets tragisch. Er gaat niemand dood, ja goed, er is al iemand dood.”

De dood speelt in veel van uw werk een rol. Is schrijven over de dood prettig of is wilt u zo uw angst ervoor bezweren?

„In al die romans en verhalen gaat het zelden over iemand die dood gaat. Het zou best kunnen dat je de dood bezweert met schrijven. In Olifanten op een web schrijf ik over de angst die ik als kind al had dat mijn moeder er opeens niet meer zou zijn. Mijn broer en zusje hadden daar geen last van. Emily Brontë was omringd door de dood, maar ze wist er in Wuthering Heights wel een geweldige, krankzinnige vertelling omheen te weven. Zomaar schrijven over de dood heeft geen zin. Maar genoeg, het is niet alleen maar duisternis, ik houd ook van vrolijke vertellingen.”

Als u nu terugkijkt op veertig jaar schrijverschap, heeft u dan bereikt wat u voor ogen had?

„Je weet vooraf niet wat je van je schrijverschap kan verwachten. Bij lezingen lees ik soms iets voor uit Bleekers Zomer (1972). Daar staat een zin in over een hoer, vette Annie, die ‘minstens vijftig moest wezen’. Dan vertel ik wel eens dat ik indertijd dacht: dat haal ik niet en al helemaal niet als schrijver. Toen ik begon bij Propria Cures bleef ik al hele nachten op om er een heel klein verhaal uit te persen. Ik wist zeker: dit hou ik nooit vol. Maar aangezien ik dan toch ouder dan 50 heb mogen worden, staan er alsnog aardig wat titels op mijn naam. Ik kijk er met enige verbazing op terug.”

Mensje van Keulen: Liefde heeft geen hersens. Atlas, 189 blz. €16,95 Verschijnt volgende week.

    • Toef Jaeger