Het hart gelooft de mond niet

Als geen andere criticus laat de gevangen dissident Liu Xiaobo in een bundel het morele bankroet van het huidige China zien.

A man walks in front of a poster of Chinese dissident and peace prize laureate Liu Xiaobo at an exhibition at the Nobel Peace Center in Oslo, December 9, 2010. With the guest of honour stuck in a Chinese prison, this year's Nobel Peace Prize ceremony will centre around an empty chair, as its celebration of dissident Liu Xiaobo continues to split the global community and infuriate Beijing. The Norwegian Nobel Committee head said he was surprised at the level of international support for jailed Chinese dissident and peace prize laureate Liu Xiaobo despite pressure from Beijing. AFP PHOTO/ODD ANDERSEN AFP

Liu Xiaobo (samengesteld door Liu Xia en Tienchi Martin-Liao): Ik heb geen vijanden, ik ken geen haat. Uitgeverij De Geus, 412 blz. €22,95

Wie zich eind 2010 afvroeg waarom de Chinese regering zich toch zo opwond over de toekenning van de Nobelprijs voor de Vrede aan de gevangen Chinese dissident Liu Xiaobo, krijgt daarvoor met terugwerkende kracht enig begrip. Uit dit boek komt Liu naar voren als een man die scherper en overtuigender dan wie ook het morele bankroet van het Chinese politieke systeem aantoont. En daarvan is het totalitaire bewind met zijn grote internationale ambities niet gediend.

Liu (56), die al sinds de jaren tachtig een vooraanstaande rol speelt bij pogingen China te democratiseren, beperkt zijn kritiek niet tot de partij-elite. Hij richt zijn pijlen ook op de Chinese bevolking in het algemeen. Die is volgens hem vanouds tot het immorele geneigd en is nu vervallen tot een diep cynisme. ‘Men gelooft nergens meer in, er is een breuk tussen woord en daad en het hart gelooft niet meer wat de mond zegt’, noteerde hij in 2004. De meerderheid, ook onder intellectuelen, geeft zich over aan een plat materialisme en een ‘sekscarnaval’, zoals hij het noemt. Alles is te koop voor mensen met macht en geld.

Architect van deze ontwikkeling is de ook in het Westen dikwijls bewierookte Deng Xiaoping. Nadat die de ontkiemende democratisering in 1989 op het Plein van de Hemelse Vrede keihard had keihard neergeslagen, zette hij de deur open voor economische liberalisering en privatisering.

Maar de partij hield de regie stevig in handen. ‘Privatisering in Chinese zin is die van rovers. Ze heeft lak aan wetten en argumenten’, schrijft Liu. Waarbij de partijbonzen, de ‘machtsadel’, de rovers zijn.

Het regime bestendigt zijn greep op het land verder met een niets ontziend nationalisme, dat Liu Xiaobo verafschuwt. De bevolking wordt ingeprent dat China is voorbestemd de Verenigde Staten voorbij te streven als de nieuwe leider van de wereld.

Wie macht heeft, kan die meestal straffeloos gebruiken tegen de gewone man, die kwetsbaar blijft. Zo bespreekt Liu het geval van het 15-jarige meisje Li Shufen, dat in 2008, kort voor de Olympische Spelen in Peking, werd verkracht en vermoord. Haar lijk werd in een rivier gevonden. Zelfmoord, concludeerde de lokale politie zonder nader onderzoek. Een oom die zich erover kwam beklagen werd door de politie prompt zo toegetakeld dat hij overleed. Ook een tante werd mishandeld. Het leidde tot een volksprotest, dat met geweld de kop werd ingedrukt ten koste van nog een dode.

Ontzag

De beste remedie tegen zulke misstanden is volgens Liu Xiaobo democratisering, zodat overheidsfunctionarissen verantwoording moeten afleggen over hun daden. Samen met anderen stelde Liu eind 2008 Charta ’08 op, een krachtig pleidooi voor democratische hervormingen en respect voor mensenrechten. De naam verwijst naar Charta ’77, waarmee Tsjechische dissidenten, onder wie Vaclav Havel, 35 jaar geleden naar buiten traden. Liu valt in moed, welsprekendheid en passie voor de waarheid trouwens heel goed met de onlangs overleden Havel te vergelijken. Alleen mist hij, althans in zijn teksten, diens milde ironie.

Want Liu Xiaobo is streng. Niet alleen voor anderen maar in de eerste plaats ook voor zichzelf. Steeds weer probeert hij, al lezend en schrijvend, ook zijn eigen beperkingen en tekortkomingen op te sporen. Zo ontdekte hij naar eigen zeggen bij een bezoek aan de kunstschatten het Metropolitan Museum in New York in maart 1989 hoe beperkt zijn wereldbeeld nog was.

Gelukkig hebben de samenstellers van het boek ook de indrukwekkende verklaring opgenomen die Liu aflegde bij zijn proces in 2009 voor hij voor elf jaar achter slot en grendel verdween. Ontroerend is de passage waarin hij de liefde voor zijn vrouw betuigt. ‘Ik dien mijn straf uit in een tastbare gevangenis, jij bent veroordeeld tot wachten in de niet-tastbare gevangenis van je hart. Jouw liefde is als het zonlicht dat over de hoge muren en door ijzeren tralies gaat, ze streelt elke centimeter van mijn huid, verwarmt elke cel van mijn lichaam’, zei hij. ‘Mijn liefde voor jou, zo vol van berouw en schuldgevoel, is bij tijden zo zwaar dat ze me doet wankelen.’ Het is van een diepe menselijkheid, die het regime doorgaans zo ontbeert. Sinds zijn veroordeling heeft Liu Xia haar man voor zover bekend welgeteld twee keer mogen bezoeken.

Maar Liu kan ook hoop putten uit andere ontwikkelingen. Het ontzag voor de partij verdampt. De tolerantie voor machtsmisbruik neemt snel af. Steeds meer boeren verzetten zich tegen het inpikken van grond door partijfunctionarissen. En het internet biedt ongekende nieuwe mogelijkheden tegen de doofpotcultuur van de elite.

Tevreden constateerde Liu al enkele maanden voor zijn arrestatie in 2008: ‘De slinger van de macht in het huidige China zwaait de laatste tijd steeds meer in de richting van het volk.’