Geen euthanasie bij een demente die zich bedenkt

De ‘toetsingscommissie euthanasie’ heeft voor het eerst euthanasie bij gevorderde dementie beoordeeld als zorgvuldig. Een reconstructie werpt een geheel ander licht op de gebeurtenissen. Bert Keizer, Gerrit Kimsma en Boudewijn Chabot twijfelen aan de zorgvuldigheid van de toetsingscommissie.

Illustratie Dario Castillejos

In NRC Handelsblad van 4 februari stond een schokkend verhaal over een vrouw die jong begon te dementeren. Toen in 2003 de diagnose ‘alzheimer’ werd gesteld, besprak zij samen met haar man en de huisarts haar euthanasiewens. In 2005 stelde ze een wilsverklaring op. Hierin schreef ze dat ze „niet meer wilde leven als zij naar een verpleeghuis moest, haar kinderen niet meer zou herkennen, afhankelijk werd van haar omgeving en haar ‘menswaardigheid’ zou verliezen”.

Eind 2009 kreeg ze een epileptische aanval, maar ze vond zichzelf „nog niet klaar voor de dood”. In de zomer van 2010 verslechterde ze zienderogen. De huisarts zag dit, maar deed niets.

In de herfst was ze haar euthanasieverzoek kwijt – nee, niet het papiertje. Ze was het in zichzelf kwijt. Ze kon het euthanasieverzoek „niet als zodanig herhalen”, schreef de huisarts. De echtgenoot zei dat de huisarts nu toch echt over de brug moest komen.

Er werd een SCEN-arts (Steun en Consultatie bij Euthanasie in Nederland) bij geroepen, voor een tweede mening. Deze zag haar verdriet en was overtuigd van haar uitzichtloos lijden, maar kon haar in een gesprek geen consistente doodswens ontlokken. Ze zei: „Doodgaan wil ik niet. Dan ben ik niets meer” en over opname in een verpleeghuis: „Liever niet, maar als het moet, dan moet het.”

De SCEN-arts concludeerde dat mevrouw niet meer wilsbekwaam was op het punt van haar euthanasiewens. Hij ried de huisarts af om de euthanasie te verlenen.

De dementie werd inmiddels erger. De huisarts voelde zich schuldig, omdat hij te laat actie had ondernomen. De echtgenoot dreigde dat hij het zelf zou doen, als de huisarts zou weigeren.

Kort daarna gaf de echtgenoot de huisarts de naam van een SCEN-arts die hij had leren kennen op een workshop van de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde (NVVE) en die publiekelijk een minder krampachtige omgang bepleit met euthanasie bij dementie. De huisarts vroeg een tweede SCEN-advies aan deze arts.

In onze ogen is deze tweede arts door de huisarts geselecteerd wegens haar opvatting dat euthanasie bij dementie mogelijk moet zijn. Een dergelijke selectie is in strijd met het advies van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst: men dient zich neer te leggen bij het consult van de dienstdoende SCEN-arts. Het gaat niet aan een ‘passende’ SCEN-arts te zoeken. Vreemd genoeg is de toetsingscommissie ervan overtuigd dat hier geen sprake was van een een-tweetje.

De tweede SCEN-arts was het grotendeels eens met de eerste, met één belangrijk verschil. De Euthanasiewet zegt dat een eerdere schriftelijke wilsverklaring in de plaats kan treden van een mondeling verzoek. Juristen strijden nog steeds over de interpretatie hiervan. Deze tweede arts vond het geen probleem dat de vrouw het euthanasieverzoek niet kon herhalen. Voorzitter Paul van Wersch van de toetsingscommissie is dit in NRC Handelsblad van 4 februari met haar eens.

Op 15 maart 2011 vond de levensbeëindiging plaats. Dit gebeurde op onthutsende wijze. Die ochtend kreeg de vrouw haar dagelijkse portie ochtendpillen van haar naasten. Zij voegden hieraan stilzwijgend twee slaaptabletten toe. Deze werkten zo goed dat ze de trap op moest worden gedragen, naar haar bed.

Om half elf kwam de huisarts. Hij ging naar boven en wilde haar man er niet bij hebben terwijl hij de dodelijke middelen toediende. Toen hij bij de slapende vrouw een infuus wilde inbrengen, bood ze weerstand. Geen nood – hij spoot Dormicum in, een sterk slaapmiddel. Toen bracht hij het infuus in en diende hij de dodelijke middelen toe. Voorafgaand aan de toediening van het dodelijke middel was het volstrekt onmogelijk om de vrouw uit te leggen wat hij aan het doen was.

Dit is geen euthanasie zoals deze tot nu toe altijd is gemeld. Deze vrouw begreep niet dat ze werd doodgemaakt. Haar afweer werd weggespoten. Naar onze overtuiging is deze gang van zaken niet te rechtvaardigen.

Op internet staat de beschrijving van deze levensbeëindiging door de toetsingscommissie. Hierin wordt met geen woord gerept over de tersluiks toegediende slaapmiddelen, of over het afwerende gedrag van de vrouw, of over het doorbreken van deze afweer met Dormicum, of over de merkwaardige eis van de huisarts dat haar man er niet bij mocht zijn.

Hoe moet je zoiets nou zien? ‘Moord’ klinkt meteen zo hetzerig, maar ‘onzorgvuldig’ is een understatement.

De tergende vraag is hoe de toetsingscommissie dit kan beschouwen als de zorgvuldige uitvoering die de wet vereist. Wij vinden dat NRC Handelsblad de zaak veel grondiger heeft onderzocht dan de toetsingscommissie.

Toen mevrouw in 2005 zei euthanasie te willen als zij haar kinderen niet meer herkende en naar het verpleeghuis moest, had de huisarts moeten zeggen: „Daar kan ik niks mee, want als u zo ver heen bent, dan is een goed gesprek over euthanasie onmogelijk.” De huisarts had haar in de zomer van 2010 moeten uitleggen dat ze onherroepelijk op weg was naar een toestand waarin euthanasie onmogelijk zou worden.

Wij vrezen dat de NVVE in het zicht van deze casus haar leden zal informeren: „Euthanasie kan dus toch bij gevorderde dementie!” Mensen met beginnende dementie zullen het tijdstip voor euthanasie voor zich uitschuiven totdat er geen verzoek meer mogelijk is en de huisarts wordt opgezadeld met een onmogelijk probleem.

De bittere les van dit alles is dat u, als u niet in dementie ten onder wilt gaan, tijdig – dus als u uw kinderen nog wel herkent – uit het leven moet durven stappen; niet vertrouwen op wilsverklaringen en dan maar de dementie binnendwalen, in de hoop dat een arts u daar wel komt doodmaken, zelfs als u zich verzet.

Dit afschuwelijke voorbeeld mag niet worden herhaald, tenzij we dementen biologisch één verdieping laten zakken en hen uitboeken als ex-mensen, die nu huisdier zijn geworden, zodat baasje mag besluiten ze te laten inslapen.

Bert Keizer is ouderengeneeskundige, filosoof, publicist en SCEN-arts (Steun en Consultatie bij Euthanasie in Nederland). Gerrit Kimsma is huisarts, filosoof, SCEN-arts, opleider van SCEN-artsen en oud-lid van een Regionale Toetsingscommissie (1998-2010). Boudewijn Chabot is psychiater en onderzoeker van levensbeëindiging in eigen regie.