Een galerij voor de handtastelijken

De 127 bijzonderste boeken uit de collectie van de Universiteit van Amsterdam zijn gereproduceerd in ‘Het boek van het gedrukte boek’. Ronduit een meesterzet, deze pronkparade van opgeslagen bladzijden.

n het land der lezers zullen binnenkort de bokken zich van de schapen scheiden. Zij die overgaan tot het scherm kiezen een ander pad dan zij die papier zo beminnen dat ze eraan vast willen en zullen houden.

Zelfs een conservator, de directeur van de Koninklijke Bibliotheek, gooide onlangs de handdoek in de ring. In deze krant zei hij alleen nog heel bijzondere papieren boeken aan de collectie te willen toevoegen, alle andere boeken worden voortaan in digitale vorm bewaard.

Wie Het boek van het gedrukte boek in handen houdt, waarin de geschiedenis van dat object wordt verteld aan de hand van de mooiste exemplaren uit de Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, beseft wat een immense cesuur zo’n beslissing betekent. Dit boek vol boeken is vooral het project van Mathieu Lommen, conservator grafische vormgeving bij de Bijzonder Collecties. Een achttal boekhistorici en conservatoren werkte eraan mee. Hun streven was duidelijk een helder, toegankelijk publieksboek te maken over de wording van het boek, en dat is ze heel goed gelukt. Impliciet lijken ze ook de vreugde van het boeken maken, bewaren en bestuderen te willen overbrengen, en de lange traditie daarvan, in een tijd die het boek soms reduceert tot wegwerpartikel, in een flits te downloaden of te deleten.

De gekozen vorm is simpel en doeltreffend. Lommel en co kozen de 127 bijzonderste exemplaren uit de miljoenen banden die de universiteit bezit en deden weinig anders dan die boeken openen voor de lezer. Letterlijk. Op vele bladzijden van Het boek van het gedrukte boek staat niets anders dan de paginagrote reproductie van een opengeslagen boek, doorgaans een mirakel van een boek. Dan is het net of je het zelf in handen hebt, het psalmenboek in vijf talen uit 1509 van Henri Estienne de oudere, of dat anatomieboek vol afbeeldingen van elegante geraamtes uit 1543.

Een boekengeschiedenis verteld aan de hand van bladzijden, mooier kan niet. Er is geen app gemaakt van Het boek van het gedrukte boek. Dat is commercieel misschien niet handig, maar het is wel toepasselijk. Dit is immers een boek voor de handtastelijken onder de bibliofielen, zij die graag een boek vasthouden.

Galerij

Per eeuw worden een paar globale ontwikkelingen en kenmerken beschreven, van Gutenberg en zijn drukpers in Mainz anno 1450 tot de 21ste-eeuwse Template Gothic, ‘dé postmodernistische letter van de jaren negentig’. Niet te veel informatie, het gaat om kijken. Wel kun je telkens kleine stukjes lezen over de ontwikkeling van druktechnieken, oplages en verspreidingen, plus biografietjes van drukkers en uitgevers. Mooi is ook de aandacht voor de miniaturisten, kopiisten, rubricatoren en illuminatoren die met eindeloos geduld de boeken zo mooi en overzichtelijk hebben gemaakt, en daarmee vooruitgang boekten in het rangschikken van informatie. Ook leren we over stempelsnijders en lettermakers, over letters als de rotunda en de bodoni, de cancelleresca en de baskerville. Wel jammer dat er niet bij staat wat een boek heeft doorgemaakt, en hoe het in de collectie van de universiteit terecht kwam. Waar komen al die levervlekken op Muybridges fotoboek Animal Locomotion (1887) bijvoorbeeld vandaan?

Maar vóór alles is dit boek een galerij, die loopt van een boek over het Latijn uit 1471 tot een boek met een opvallende, in drieën knakkende rug van Irma Boom uit 2010.

Er zijn fijne rode draden. Neem die houtsneden in de moraliserende vertellingen van Gherart Leeu, geboren tussen 1445 en 1450 in Gouda. Zo zien de tekeningen in sommige kinderboeken er nu nog steeds uit. Een bestseller uit de vijftiende eeuw, deze dialogen tussen de wolf, de raaf en de haan à la Aesopus, die zes drukken beleefde en in drie talen werd gepubliceerd. Leeu was auteur, ontwerper, drukker en uitgever van het boek.

Het merendeel van de boeken in dit boek is non-fictie, handboeken en tractaten. Daarnaast bijbels en een enkel liedboek, en veel kunst- en vormgevingsboeken uit de twintigste eeuw.

Er is bijvoorbeeld een zo te zien grondig tractaat over oorlogvoering uit 1483, vol tekeningen van ingenieus wapentuig, waarin een draaibaar platform, een duikboot en een soort granaat te vinden zijn. Leonardo da Vinci liet zich erdoor inspireren. Nog meer leefde de illustrator van dat anatomisch handboek uit 1543 zich uit, De humanis corporis fabrica van Andreas Vesalius. Een meute artsen lijkt op het titelblad van de bladzij af te puilen teneinde een glimp op te vangen van een plastisch weergegeven anatomische les. In het centrum van de propvolle afbeelding staat een satanisch lachende magere Hein, ten teken dat elke medische inspanning uiteindelijk toch vergeefs is.

Speciale aandacht is er voor boeken over het vak zelf. Boeken over typografie, belettering en verhoudingen, zoals een meetkundige verhandeling van Albrecht Dürer uit 1525 met fantasieletters die, getuige de ‘Loden Bifur’-letter in een boek uit 1929, eeuwen later opnieuw in de fantasie opdoken.

Boekbindersgezel

Een centrale persoon uit het boek is Christoffel Plantijn (1520?-1589), de drukker en uitgever die zich omstreeks 1545 in Antwerpen vestigde als boekbindersgezel. Later verkocht hij er boeken en begon er zijn eigen uitgeverij/drukkerij. Hij had uiteindelijk tegen de zeven persen en vijfendertig medewerkers, zijn bedrijf was een van de grootste drukkerijen ter wereld, profiterend van een bloeiende internationale handel. Plantijn was medebepalend voor de bloei van de gouden eeuw van de boekdrukkunst in de Nederlanden, want na de val van Antwerpen in de tachtigjarige oorlog (1585), trok alles wat denken, schrijven en drukken kon naar het noorden. Met vooruitziende blik had Plantijn toen al een filiaal geopend in Leiden. Van hem zijn twee boeken opgenomen, een emblemenbundel (een soort spreukenbundel met plaatjes) uit 1565, vol verfijnde, prachtig omrande houtsneden, en zijn polyglotte Bijbel (1569), in het Hebreeuws, Latijn, Grieks, Klassiek Syrisch en Aramees.

Nu komen de grootste schatten uit het universiteitsbezit. De zeeatlas van Willem Barentsz (1595), met het gezicht op Amsterdam achter bollende zeilen. De Spieghel der schrijfkonste van Jan van den Velde (1605) met het ragfijne handje dat een proeve van kunnen geeft. En natuurlijk de Atlas van Blaeu (1664), waarover op deze plek al vaak geschreven werd.

Nog meer kleur en raffinement in de achttiende eeuw, met werken over natuurlijke historie en reisverslagen, en met het eerste werk van een vrouw in dit boek. Het is Maria Sybilla Merians boek over insecten ‘waer in de Surinaemsche Rupsen en Wormen met alle derzelver veranderingen, naar het leeven afgebeeldt en beschreeven worden’. Het boek is in 1917 geproduceerd door Johannes Oosterwijk, die voorin bescheiden adverteert: ‘Boekverkoper op den Dam (...) Alwaer dit werk, als ook de Europeesche Insecten in quarto van dezelve Juffrouw MERIAEN naar ’t leven geschildert en afgezet te bekomen zyn.’

Elke eeuw brengt nieuwe, nog betere technieken, maar met de massaproductie verdwijnt de uniciteit van een boek. Vandaar misschien dat boekverzorgers soms teruggrijpen op de letters van vroeger, zoals in de keus voor een neogotische letter in een ontwerp van William Morris voor Hand and Soul van Dante Gabriel Rosetti (1895).

Met zogeheten self publishing-apps kan een eenentwintigste-eeuwer inmiddels weer een uniek exemplaar van een boek ontwerpen, met de computer als zijn werkplaats. Hij is dan, net als zijn middeleeuwse tegenvoeter, weer uitgever en typograaf en wellicht ook drukker tegelijk. Maar een ambachtsman kun je de 21ste-eeuwse selfpublisher vooralsnog niet noemen, laat staan een boekkunstenaar.

Mathieu Lommen: Het boek van het gedrukte boek. Een visuele geschiedenis. Amsterdam University Press, 463 blz. € 49,50 De bijbehorende tentoonstelling is tot en met 13/5 te zien bij Bijzondere Collecties in Amsterdam. Zie bijzondercollecties.uva.nl

    • Maartje Somers