Een demente mag dood als hij dat eerder goedkeurde

In NRC Handelsblad van 4 en 5 februari wordt het probleem van euthanasie bij een dementerende besproken aan de hand van een casus. Terecht wordt er veel aandacht besteed aan de vraag of het verantwoord is om euthanasie toe te passen op het moment dat een dementerende niet meer helder en duidelijk zijn wens kan uiten.

Maar de wet biedt meer mogelijkheden dan men op het eerste gezicht zou denken.

In de ‘Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding’ uit 2001, artikel 2, lid 2 staat: „Indien de patiënt van zestien jaren of ouder niet langer in staat is zijn wil te uiten, maar voordat hij in die staat geraakte tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake in staat werd geacht, en een schriftelijke verklaring, inhoudende een verzoek om levensbeëindiging, heeft afgelegd, dan kan de arts aan dit verzoek gevolg geven.” De zorgvuldigheidseisen, bedoeld in het eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing. Deze bepaling kan van toepassing zijn bij een dementerende die zijn wens vroegtijdig uit, maar pas later de euthanasie uitgevoerd wil hebben.

In lid 1 worden de zorgvuldigheidseisen genoemd: de arts moet de overtuiging hebben dat er sprake is van een vrijwillig verzoek en moet de overtuiging hebben dat er sprake is van uitzichtloos en ondraaglijk lijden.

De wet spreekt van overtuiging, niet van hard bewijs. Juist bij een euthanasieverzoek in geval van dementie kan deze overtuiging groeien en kan ze worden gevoed door verbale en non-verbale signalen van de patiënt.

Euthanasie bij dementie blijft een uitermate moeilijke beslissing en dat moet ook zo blijven.

Joost Meuwese

SCEN-arts (Steun en Consultatie bij Euthanasie in Nederland), Heilig Landstichting