Demente bedenkt zich? Dan is het moord

Wanneer is iets nog euthanasie? Justitie zou onderzoek moeten doen naar de levensbeëindiging van een dementerende vrouw, betoogt Klaas Rozemond.

Nog steeds is onduidelijk wat wel en niet mag op grond van de Nederlandse euthanasiewetgeving. Dit blijkt uit het artikel ‘De vrouw die niet meer wist dat ze dood wilde’ in NRC Handelsblad van zaterdag 4 februari 2012. Hierin wordt beschreven hoe een huisarts het leven beëindigde van een dementerende vrouw. Een regionale toetsingscommissie was van oordeel dat deze huisarts zorgvuldig had gehandeld.

Voordat een toetsingscommissie een dergelijk oordeel mag geven, moet evenwel eerst worden vastgesteld dat het inderdaad ging om euthanasie. Volgens artikel 293 van het Wetboek van Strafrecht is euthanasie het beëindigen van het leven van een persoon „op diens uitdrukkelijk en ernstig verlangen”. Dit verlangen moet bestaan op het moment dat het leven wordt beëindigd. Is het verlangen niet meer aanwezig, dan is de levensbeëindiging geen euthanasie. Dit is bijvoorbeeld het geval als een patiënt een eerder geuit verlangen heeft ingetrokken of als het verlangen is verdwenen ten gevolge van een ziekte.

Wordt iemands leven dan toch beëindigd, dan is er geen sprake van euthanasie, maar van moord (artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht). De toetsingscommissies zijn in dergelijke gevallen niet bevoegd om het handelen van een arts te toetsen. Bij moord is het een zaak voor justitie.

Uit het artikel in NRC Handelsblad en uit de uitspraak van de toetsingscommissie blijkt niet dat de commissie heeft onderzocht of de dementerende vrouw wel een ernstig verlangen naar de dood had op het moment dat haar leven werd beëindigd. De commissie heeft zich vooral gericht op de schriftelijke wilsverklaring die de vrouw had opgesteld in het beginstadium van haar ziekte. Het verzoek uit die verklaring was naar het oordeel van de commissie „vrijwillig en weloverwogen”.

Volgens de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek (WTL) mag een arts gevolg geven aan een schriftelijke wilsverklaring als een patiënt niet meer in staat is om een verzoek te uiten. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij een ernstige spierziekte, waardoor een patiënt niet meer kan spreken of schrijven.

De schriftelijke wilsverklaring is daarentegen niet bedoeld voor de situatie waarin het verlangen naar de dood niet meer bestaat, zoals in de zaak van de dementerende vrouw het geval lijkt te zijn. Deze vrouw zou tegen de SCEN-arts die haar onderzocht, hebben gezegd: „Doodgaan wil ik niet. Dan ben ik niets meer.” De SCEN-arts was daarom van oordeel dat bij deze vrouw geen euthanasie meer kon worden uitgevoerd.

Ook de huisarts die de dodelijke middelen toediende, kon niet vaststellen dat de vrouw op het moment van de levensbeëindiging ernstig naar de dood verlangde. In een dergelijk geval is de toetsingscommissie niet bevoegd om het handelen van de arts te toetsen en moet de zaak worden overgedragen aan justitie.

Er is nog een reden waarom justitie onderzoek zou moeten doen in deze zaak. Als er in dit geval wel sprake zou zijn geweest van euthanasie, had volgens de WTL moeten worden onderzocht of het lijden van de patiënte uitzichtloos was. Het is evenwel mogelijk dat het lijden van de patiënte verdwijnt bij voortschrijdende dementie. Deze mogelijkheid wordt bevestigd door de verpleeghuisarts die wordt aangehaald in het artikel in NRC Handelsblad. Zij heeft tegenover de huisarts verklaard dat zij in het verpleeghuis nog nooit een verzoek tot euthanasie heeft gehad. „Ik zie alleen maar blije dementerenden”, aldus deze verpleeghuisarts.

De huisarts, de betrokken SCEN-artsen en toetsingscommissie hadden daarom moeten onderzoeken of dit vooruitzicht ook bestond bij deze patiënte. Uit de uitspraak van de commissie blijkt niet dat een dergelijk onderzoek is gedaan. Hierdoor hebben de artsen en de toetsingscommissie niet kunnen vaststellen dat het lijden van deze patiënte inderdaad uitzichtloos was.

Een justitieel onderzoek is buitengewoon belastend en ook uiterst problematisch als een arts te goeder trouw heeft gehandeld. Daarom zou zo’n onderzoek in deze zaak moeten worden uitgevoerd met de grootst mogelijke zorgvuldigheid. Toch is het letterlijk van levensbelang dat de grens van euthanasie voor alle betrokkenen duidelijk wordt vastgesteld. De toetsingscommissie is hierin niet geslaagd en is hiertoe ook niet bevoegd. Alleen de strafrechter kan een bindende uitspraak doen over de vraag waar de wettelijke grens ligt van euthanasie.

Klaas Rozemond is universitair hoofddocent strafrecht aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Een uitgebreide versie van dit artikel – Euthanasie en dementie: het actuele verlangen en het reële alternatief – is gepubliceerd in het Nederland Juristenblad van 3 februari 2012.

    • Klaas Rozemond