‘De top van onze politie is incapabel’

Een nationale politie is hard nodig. Maar niet op deze manier, vindt oud-hoogleraar Cyrille Fijnaut. „Het parlement dreigt een kapitale blunder te begaan.”

Oud-hoogleraar Cyrille Fijnaut, de grootste politiedeskundige van Nederland, windt zich al maanden op: sinds hij afgelopen herfst het concept-ontwerpplan las voor de inrichting van de nationale politie. Gemaakt door de toekomstige politieleiding die de komst van een nieuw politiebestel moet voorbereiden. „Een amateuristisch plan.”

Fijnaut zweeg. Op dat eerste concept zou een definitief ontwerpplan volgen, een inrichtingsplan, een realisatieplan. Hij dacht: het wordt wel beter. Parlement, OM en burgemeesters zullen ageren. „Dat is maar op enkel punt gebeurd.”

De Tweede Kamer stemde in november al in met de wet die de nationale politie mogelijk maakt. De senaat staat op het punt akkoord te gaan. Fijnaut: „Het parlement dreigt een kapitale blunder te begaan.”

De oud-hoogleraar bepleitte al een nationale politie toen de meeste korpschefs zich daar nog heftig tegen verzetten en minister Opstelten als burgemeester van Rotterdam vierkant tegen was. Hij haalde opgelucht adem toen een nationale politie in het regeerakkoord kwam. Hij prees Opstelten, die tot inkeer was gekomen.

Maar het nieuwe bestel was pas geslaagd, als de politie zo werd georganiseerd dat ze haar werk beter kon doen dan „het huidige, verdeelde, bureaucratische apparaat”. Dat onderstreepte Fijnaut een half jaar geleden nog in zijn afscheidscollege. Nu constateert hij dat het plan die „lakmoesproef” niet doorstaat.

Wat is er mis met het ontwerpplan?

„Er is geen analyse van de problemen waarmee Nederland op politiegebied wordt geconfronteerd. Bij opsporing, bij bestrijding van georganiseerde misdaad, bij ordehandhaving, bij hulpverlening, bij lokale politiezorg, bij crisisbeheersing. Aan welke eisen moet de politie voldoen in de gevaarvolle tijd waarin wij leven? Niet alleen bij mooi weer. Juist bij slecht weer.”

Als dat plan niet deugt, waarom ontmoet het dan geen weerstand?

„Omdat het parlement en de publieke opinie buitenspel worden gezet. Geen Kamerlid, geen journalist kan de voorbereidingen voor vorming van de nationale politie goed volgen. Aan de ene kant heb je de behandeling van de nieuwe politiewet. Die is al knap ingewikkeld. Aan de andere kant heb je de opeenvolgende vier plannen voor de organisatie van het korps. Nog steeds is niet duidelijk hoe die er precies zal uitzien.

„En dan zijn die plannen ook nog miserabel geschreven. Van een bureaucratisch gehalte. Ik heb ze drie, vier, vijf keer moeten lezen. Dat is klunen. Je komt er niet doorheen.”

Is dat erg?

„Straks staat het parlement voor voldongen feiten. Dat is te gek voor woorden. Dit is een historisch moment. De hele overheid rust op de kwaliteit, organisatie, werking en inzet van de politie. Dat is een strategisch orgaan in onze samenleving.”

De opbouw van de nationale politie ziet er als volgt uit: één minister, één korps, één korpsleiding, tien regionale eenheden en één landelijke eenheid, elk met hun eigen staf. De regionale eenheid bestrijkt een aantal districten. Fundament van de politieorganisatie worden ‘robuuste basisteams’ van 60 tot 200 man die zoveel mogelijk zelfstandig werken. Wat zijn uw grootste bezwaren tegen die structuur?

„Die grote basisteams zijn niet geworteld in de plaatselijke gemeenschap. Ze kennen de mensen niet. Bewoners hebben geen idee wie hun politiemensen zijn. Waarom geen politiepost in elke gemeente, in elk stadsdeel? Zonder tralala, zonder administratie, zonder managementassistenten. Plaatselijk geworteld, dicht bij de burgers. Maar wel centraal gestuurd.

„Geef de burgemeester zijn eigen stukje politieapparaat. Tenslotte is hij verantwoordelijk voor de openbare orde. Volgens het ontwerpplan krijgt hij een aanspreekpunt bij de politie. Een belediging voor de Nederlandse burgemeester.”

Andere bezwaren?

„Veel specialisaties worden ondergebracht bij de regionale eenheden. Dat is in veel gevallen verdomd ver weg. Districten moeten juist robuust zijn, met de nodige specialisaties, zowel in opsporing en ordehandhaving als noodhulp en verkeer. Zeker in de dertig grote gemeenten. Anders organiseer je onmacht in plaats van macht.

„Het nieuwe bestel bouwt op basisteams die alles moeten kunnen. Ik garandeer je: dat kunnen ze niet. Niet kwalitatief. Ik zie politiemensen als specialisten, de wijkagent in een lastige buurt net zo goed als de rechercheur en de verkeersagent. Naar gelang het probleem breng je ze bij elkaar. Aan generalisten heb je niets meer.

„En waarom is er bij de districten niet voorzien in een gespecialiseerde verkeerspolitie? Onbegrijpelijk. Verkeerspolitie heb je nodig voor de mobiliteit en de veiligheid, voor het milieu, als steun bij de opsporing. De 34 grote gemeenten zijn samen als 34 rotondes in de stadsstaat Nederland. Geen verkeersdienst voorzien.”

Sommige onderdelen in het ontwerp vindt u ronduit gevaarlijk.

„Het plan spreekt voortdurend over politiemensen als professionals die de professionele ruimte moeten krijgen. Dat is staatkundig onaanvaardbaar. Een politieman heeft een zekere ruimte nodig om te bekijken wat hij het beste kan doen. Maar dan nog moet hij binnen de gezagsverhoudingen opereren. Hij kan niet zomaar zijn eigen zin doen en het gezag van burgemeester of officier van justitie negeren. Dat is vloeken in het kwadraat in de kerk van de rechtstaat. Je valt van je stoel als je dat leest. Dat de toekomstige politieleiding zoiets opschrijft.”

Wat zegt dat over de politietop?

„Dat er in de leiding mensen zitten die niet zwaar genoeg zijn. Die niet voldoende gekwalificeerd zijn. Die behendig hiphoppend als managers de top van de politie hebben bereikt.

„Aan de andere kant: ik ken een stel heel capabele mensen in de top. Het is alsof ze een dictaat krijgen voorgeschoteld waar ze niet onderuit kunnen. Ik snap niet dat ze dit ontwerpplan accepteren. Een plan dat geen afdoende antwoord biedt op de grote problemen waarmee de politie worstelt. Een plan dat politiemensen geen beter houvast biedt om hun werk effectiever te doen. Wat een sprong voorwaarts moest zijn, dreigt een stap achteruit te worden.”

    • Dick Wittenberg