De natuurverenigingen praten langs elkaar heen

Het Planbureau voor de Leefomgeving krijgt kritiek, omdat het zou meegaan in de bezuinigingsplannen op natuur. Toch is het nuttig dat het planbureau vier typen natuur van elkaar onderscheidt. Maak een einde aan de verwarring, betoogt Johan van de Gronden.

Dichter Hendrik Marsman zag in zijn Herinnering aan Holland het Nederlandse landschap nog in een grootsch verband. Dit was in 1936. Onze generatie valt het veel zwaarder om de eenheid van het landschap te beleven. De beeldvorming rond natuur en landschap is nu even versnipperd als ons land zelf. Iedereen denkt er anders over. De Natuurverkenning 2010-2040 van het Planbureau voor de Leefomgeving slaagt er niettemin in om in neutrale termen wat orde te scheppen in de veelvoud aan natuurbenaderingen. Het planbureau noemt vier ideaaltypen:

1Een vitaal natuurbeeld, waarbij het accent ligt op het behoud van biodiversiteit.

2Een beleefbare natuur, die vooral tegemoetkomt aan de recreatiebehoefte van een groot publiek.

3De natuur als hulpbron, die de mens ten dienste staat.

4De inpasbare natuur, die economische mogelijkheden benut.

Deze „kijkrichtingen”, zoals het planbureau ze noemt, worden alle vier keurig doorgerekend en voorzien van beleidsaanbevelingen.

Achter deze ideaaltypen zie je al snel mensen van vlees en bloed of hun organisaties. Het Wereld Natuur Fonds wil een natuurbeleid dat is gericht op het herstel van natuurlijke dynamiek in onze laaglandse rivierdelta. De ANWB zal een lans breken voor fiets- en wandelpaden. VNO-NCW kan wel wat met ‘ecosysteemdiensten’: laat de natuur renderen. Staatssecretaris Bleker (Landbouw, CDA) wil vooral deregulering op het platteland. Daar kunnen boeren, particulieren en jagers zorgdragen voor het groen.

Een debat over natuurbeleid gaat een stuk gemakkelijker als je referentiebeelden voor je ziet. Maak je natuur ondergeschikt aan economische ontwikkeling – zoals nu het geval is – dan bespaar je op korte termijn veel geld, maar tegen 2040 heb je dan geen aantrekkelijk vestigingsklimaat meer, om over recreatiemogelijkheden maar te zwijgen. Zet je alleen in op biodiversiteitsbehoud, dan moet je rekening houden met een verder afkalvend draagvlak. Heb je alleen oog voor ‘diensten’ die de natuur levert, dan loop je het risico de onderliggende ecologische basis te ondermijnen. Door een productief landschap is het bovendien niet lekker fietsen.

Deze natuurverkenning komt op een moment waarop Bleker met vrijwel iedereen overhoop ligt. In plaats van tijd te nemen voor een visie op natuur en landschap zet Bleker er het mes in. Dit gaat niet zachtzinnig: 70 procent korting op de rijksbegroting, het opheffen van de beschermde status van meer dan honderd bedreigde soorten en het over de heg gooien van natuurbeleid bij de provincies, met een fooi die de twaalf onderling mogen bevechten.

Een neutraal adviesorgaan van de regering kan het kabinet niet openlijk de maat nemen. Het Planbureau voor de Leefomgeving moet droogjes doorrekenen wat de verwachte effecten zullen zijn van het beleid en mag ons op zijn hoogst de ogen openen voor alternatieven.

Als er ergens behoefte aan is, dan is het aan een pakkend alternatief. Ons natuurlijk erfgoed verdient beter dan de kille Haagse sloop die gaande is. Het planbureau heeft ons een geweldige dienst bewezen.

Johan van de Gronden is directeur van het Wereld Natuur Fonds.

    • Johan van de Gronden