De grootse zonde

Pruiken van schaamhaar, openlijke prostitutie; de achttiende eeuw was wonderlijk losbandig. Het resultaat van een seksuele revolutie die al een eeuw eerder begon, zo blijkt uit een superieure zedengeschiedenis.

James Gillray (1757-1815): ‘Modieuze contrasten’

Wie het tegenwoordig over ‘de seksuele revolutie’ heeft spreekt doorgaans over de jaren zestig en zeventig van de twintigste eeuw. De tijd van borstenpaar en schaamhaarbos aan de vrije lucht. Moeder met zoon- en vader met dochterlief gezellig samen onder de douche. Vrienden, kennissen, buren, die zich fysiek overgaven aan spel zonder grenzen. De decennia van het konijn.

Natuurlijk was dit óók een revolutie, na een langdurig Freud-tijdperk vol verdrongen lust. Maar het was niet de eerste omwenteling, getuige The Origins of Sex. A History of the First Sexual Revolution door de Britse historicus Faramerz Dabhoiwala, die Indiase wortels heeft, opgroeide in Amsterdam en nu doceert aan de universiteit van Oxford. Hij beschrijft de veranderende zedelijke opvattingen in het Engeland van 1600 tot 1800.

De achttiende eeuw was op erotisch gebied een periode van van dik hout zaagt men planken. Een stoute greep uit de literatuur van die tijd: in Laurence Sternes (1713-1768) A Sentimental Journey Through France and Italy (1768) is hoofdpersoon Yorick gedwongen een kamer te delen met een dame en haar dienstmeid. ‘What to’ en ‘what not’? Yorick garandeert de eerbaarheid van de vrouwen en belooft geen woord te zullen zeggen. Mooi. Kaars gesnoten, duisternis, doodse stilte.

De arme Yorick kan echter maar steeds de slaap niet vatten, tot hij verzucht: ‘O mijn God!’ Zijn kamerdame: ‘U hebt ons contract geschonden meneer!’ De ervaren dienstmeid stelt zich als scheidsrechter tussen beide bedden op. Yorick zegt nu ‘op mijn woord van eer mevrouw…’, strekt zijn arm het bed uit ‘bij wijze van plechtige verzekering’, en ‘pakt ongewild de dienstmeid bij haar…’ Een achttiende-eeuwse, Nederlandse vertaler maakte het af – ‘bij haar arm’ – maar Sterne liet het bij drie puntjes.

Eigenaardig dat Sterne het bij die puntjes liet. Want diezelfde achttiende eeuw culmineerde immers in het werk van de beruchte Markies de Sade die op revolutionaire wijze hele woudreuzen tot literair-erotisch timmerhout verzaagde.

Hoe kwam het zover? Centraal in The Origins of Sex staat de verschuiving in de opvattingen over de vrouw. Beginnend bij de Middeleeuwen beschrijft Dabhoiwala het overheersende, Bijbelse idee dat de vrouw verantwoordelijk is voor de zonde. Prostitutie, overspel, incest, Eva’s seksegenoten worden ervoor gestraft, niet zelden met de dood. Die aanpak is duistere eeuwen lang in zwang, maar raakt aangescherpt als Hendrik VIII (1491-1547) zich afwendt van het iets ruimhartiger katholicisme, en neemt fanatieke trekken aan als het protestantisme na de Glorious Revolution van 1688 onder de Oranje-koning William om zich heen grijpt.

Er ontstaan burgerinitiatieven (zoals de ‘Tower Hamlet Society’) die hele campagnes tegen prostitutie op touw zetten. Zo bracht men van 1694 tot 1707 een alfabetische blacklist uit, waarop justitieel vervolgde zondaars en (vooral) zondaressen met naam en ‘misdaad’ prijkten. Een hele beroepsgroep van aanbrengers staat op, die hun brood vinden in het speuren naar heterdaadjes. Fraai beschrijft Dabhoiwala hoe dit rücksichtlose ijveren voor de zedelijkheid juist het tegendeel stimuleert.

Het zijn met name leden van de lagere klassen die het object vormen van de vice scrutinizers, maar er begint een vorm van mededogen te ontstaan. En de focus verandert. Van de heks die mannen op het slechte pad brengt, groeit de vrouw uit tot onmisbaar onderdeel van de samenleving. Haar wordt nu zelfs morele superioriteit toegedicht. De seksuele vrijheid is intussen toegenomen – unprecedented zegt Dabhoiwala, net zoals de toename van de female voice in de samenleving. Steeds meer stemmen gaan daarbij op dat juist de man als verleider moet worden beschouwd.

De Verlichting leidde tot de opvatting dat moraal niet iets was dat kon worden opgelegd, seks was een persoonlijke kwestie. Waar de kerk millennia lang strikte beperkingen had opgelegd aan de seksuele levenswandel, kon aan het einde van de achttiende eeuw een prominent lid van de Church of Scotland volledige seksuele vrijheid voor zowel man als vrouw aanbevelen. Dat mag je een omwenteling noemen.

De schrijver van The Origins of Sex bouwt het langzaam op, met behulp van rechtszaken, romanliteratuur, en veel archiefmateriaal als dagboeken en brieven. Demografische aspecten worden aangedragen. Londen groeit explosief in de achttiende eeuw, omstreeks 1800 is het de grootste stad ter wereld.

Voor zedelijkheidsbewakers is het dweilen met de kraan open. We lezen over militaire kanten van de zaak. Rond 1690 heeft Engeland een staand leger van meer dan 100.000 man, tijdens de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog (1775–1783) is dat het dubbele. Niet alleen groeit het idee dat men prostitutie zou moeten tolereren, zoals Bernard Mandeville (1670- 1733) al in 1714 in zijn The Fable of the Bees opperde. Met het oog op koning en vaderland zou men prostitutie zelfs als oorlogsinspanning kunnen beschouwen – de wapenknechten moesten tijdens hun verlof toch ergens heen met hun lust.

Wat Mandeville óók beweerde was dat deugd tegen de natuur in werkt. De filosoof David Hume (1711-1776) viel hem bij in zijn A Treatise of Human Nature (1740), door te stellen dat kuisheid niet tot onze natuurlijke eigenschappen moet worden gerekend. De mens: daar hoort de vrouw ook bij, de homoseksueel alsmede. De grote hervormer Jeremy Bentham (1748- 1832) ging zover de Sodom-passage in de Bijbel niet als verwerping van tegennatuurlijke liefde te lezen. God was volgens hem slechts beledigd, omdat de inwoners van deze stad de herenliefde aan vreemdelingen hadden opgedrongen.

Een zoveelste factor in de ontwikkeling van de eerste seksrevolutie is wat men ‘politieke rekenkunde’ noemt. De kracht van een land hangt volgens meer dan één achttiende-eeuwse scribent af van het aantal inwoners – elke geslachtsdaad is daarmee een kans de natie te versterken. Tekenend is Engelands poging de kosten van de oorlog met Frankrijk tussen 1695 en 1705 door middel van uitgerekend een vrijgezellenbelasting te compenseren. Zo dacht men twee vliegen in één klap te slaan.

De lijfgemeenschap had zich uit eeuwenoude boeien bevrijd, losbandigheid volgde, vooral in de hogere kringen. In The Origins of Sex wordt Karel II (1630-1685) aangehaald. Het aantal maîtresses van deze vrijmoedige Engelse vorst van 1660 tot 1685 was genoeg om in de achttiende eeuw een aantal adellijke libertijnen in 1775 een masturbatiegenootschap op te doen richten (de Whig club), gecentreerd rond een pruik (whig) die was gevlochten met het schaamhaar van diezelfde Karel-liefhebsters.

Tijdens de maandelijkse bijeenkomsten werd bij een geestrijk gesprek over de vrouwelijke fysieke vormen wijn gedronken uit penisvormige glazen. Nieuwe clubleden werden verondersteld het historische haarstuk te kussen en noodzakelijke reparaties uit te voeren met behul van hoogstpersoonlijk in de lagere regionen van hun bijzit verworven schaamhaar.

Aanpalend aan de Whig-club was de Beggar Benisons Club, die zich vereende onder het Rabelais-motto ‘Doet wat gij wilt…’ Van deze vereniging van bemiddelde mannen nam Faramerz Dabhoiwala als illustratie een met fallus versierd, koperen offerbord op: men kon er al dan niet door zicht op vrouwelijk fysiek gestimuleerd zijn clubbijdrage in storten. En dat liefst in habijt, verkleed als bedelmonnik.

Dit type gegevens is dun gezaaid in The Origins of Sex. Dat is natuurlijk jammer. Feller warmbloedigheid is te vinden in eerdere boeken over die tijd. Ik viste Peter Wagners in 1988 verschenen, verrukkelijk geïllustreerde boek over de Engelse en Amerikaanse Verlichtings- erotica uit mijn boekenkast, dat Eros Revived heet. De titel mag dan het woord ‘revolutie’ niet bevatten, van een opleving is toch al duidelijk sprake.

Maar terwijl Wagner zich richt op de inventarisatie en beschrijving van genoemde erotica, met een helder oog voor de medische, humoristische en subversieve kanten ervan (anti-religieus, anti-aristocratisch), concentreert Dabhoiwala zich in dezelfde context op de verklaring van wat hij ‘revolutie’ noemt. Zijn benadering is verre van anekdotisch of literair. We hebben hier te maken met een gravend sociologisch, verbijsterend breed en erudiet historiewerk, dat overal fascineert.

Opmerkelijk is de genuanceerde manier waarop de auteur te werk gaat. Verschillende bewegingen worden naast elkaar gezet. Als de ene scribent vrijheid predikt, houdt de ander nog vast aan zedelijkheidsbewaking, of er komen alweer nieuwe stemmen op om de wereld voor de ondergang te behoeden – de geschiedenis is een weegschaal die voortdurend heen en weer wipt.

Zo schreef in de eeuw waarin de vrouw voor het eerst zielenadel werd toegedicht de beroemde Jonathan ‘Gulliver’s Travels’ Swift (1667-1745) een vers, waarin hij rondneust in ‘A Lady’s Dressingroom’ en daar alle mogelijke viezigheid aantreft: plukken haar, smeer, afgekrabde korstjes. Weinig flatteuze beelden voor de zich emanciperende vrouw.

Andersoortig maar ook een uitzondering in dit kader is dan ten slotte nog Sterne met de triopuntjes. Een dominee, net als Swift, misschien verklaart dat iets. Men zou ook kunnen zeggen: er zijn altijd mensen aan wie de grote maatschappelijke bewegingen voorbijgaan. Misschien was Sterne zijn tijd wel honderd jaar vooruit en moeten we hem een geestverwant van Freud noemen.

Zulke uitzonderingen hou je altijd, en ze doen niets af aan de superieure kwaliteit van de Origins, dat op heldere wijze de omslag in de waardering der seksen van 1600 tot 1800 in oorzaak en gevolg laat zien, zonder enige vorm van verkokering. Anders uitgedrukt: Faramerz Dabhoiwala pakte de Engelse achttiende eeuw bij zijn…

    • Atte Jongstra