Waarom de wereld niet wil ingrijpen

Nieuwsanalyse Hoeveel doden moeten er nog vallen voor het geweld in Syrië een halt wordt toegeroepen, vraagt VN-chef Ban Ki-moon. Maar de gevaren van ingrijpen in deze instabiele regio zijn te groot.

GRAPHIC CONTENT An image grab taken from a video uploaded on YouTube on February 5, 2012 shows a Syrian man holding a girl who activists said was killed in the Baba Amr neighbourhood when shells were fired by regime forces in the flashpoint Syrian city of Homs. Outrage grew after Russia and China blocked a UN Security Council resolution condemning Syria for its crackdown on protests, with the opposition saying it handed the regime a "licence to kill." AFP PHOTO/YOUTUBE == RESTRICTED TO EDITORIAL USE - MANDATORY CREDIT "AFP PHOTO / YOUTUBE" - NO MARKETING NO ADVERTISING CAMPAIGNS - DISTRIBUTED AS A SERVICE TO CLIENTS - AFP IS USING PICTURES FROM ALTERNATIVE SOURCES AS IT WAS NOT AUTHORISED TO COVER THIS EVENT, THEREFORE IT IS NOT RESPONSIBLE FOR ANY DIGITAL ALTERATIONS TO THE PICTURE'S EDITORIAL CONTENT, DATE AND LOCATION WHICH CANNOT BE INDEPENDENTLY VERIFIED == AFP

Terwijl het geweld in Syrië voortduurt, zwelt in de internationale gemeenschap de roep om in te grijpen aan. Toch gebeurt dat niet. De risico’s zijn te groot.

Doe iets, dringt de Syrische oppositie aan, bijgevallen door politici en burgers in het buitenland. En er zijn argumenten genoeg om niet langer lijdzaam toe te zien hoe de Syrische burgeroorlog escaleert en het leger woonwijken bestookt. Maar de tegenargumenten wegen zwaarder.

De VN-Veiligheidsraad kan het al bijna een jaar niet eens worden over een veroordeling van het geweld. Zelfs een resolutie waarin een vredesplan van de Arabische Liga werd gesteund en militair ingrijpen werd afgewezen, haalde het zaterdag niet. Rusland en China spraken er hun veto over uit.

Maar de diplomatie is nog niet uitgepraat. „Hoeveel doden moeten er nog vallen voor dit afglijden naar burgeroorlog en sektarisch geweld een halt wordt toegeroepen”, vroeg VN-chef Ban Ki-moon gisteren. Hij noemde de impasse in de Veiligheidsraad rampzalig. De regering-Assad zou er een aanmoediging in zien „de oorlog tegen haar eigen bevolking op te voeren”.

De komende dagen zullen de Verenigde Naties en de Arabische Liga bekijken of ze samen een waarnemersmissie naar Syrië kunnen sturen. Maar zelfs als zo’n waarnemersmissie er komt, is het geen krachtig middel om het geweld te stoppen.

Toch is het „extreem urgent” dat de internationale gemeenschap „effectieve actie onderneemt om de burgerbevolking te beschermen”, zei de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten, Navi Pillay, gisteren. Ze verwees naar het nieuwe beginsel van ‘De Verantwoordelijkheid om te Beschermen’. Om nieuwe bloedbaden als in Rwanda en Bosnië te voorkomen, werden de lidstaten van de VN het in 2005 eens dat de wereld zijn verantwoordelijkheid moet nemen als een regering zélf de veiligheid van haar bevolking niet kan of wil garanderen. Met een beroep op deze Responsibility to Protect (R2P) greep de internationale gemeenschap vorig jaar in Ivoorkust en Libië in.

Maar er zijn grote militaire en politieke problemen met ingrijpen in Syrië. Zelfs een belangrijk deel van de Syrische oppositie is er nog tegen.

Als ingrijpen in Libië kon, waarom dan niet in Syrië? Omdat Syrië dramatisch anders is. Libië (10 miljoen inwoners) is dunbevolkt, de 23 miljoen inwoners van Syrië zijn grotendeels samengepakt in een strook steden van zuid naar noord. De pantsereenheden die in Libië doelwit vormden van de luchtmacht onder leiding van de NAVO, staan in Syrië in de steden. De kans op burgerdoden is er veel groter.

Het Syrische leger is bovendien aanzienlijk sterker dan het Libische. In Libië liep het door het regime verwaarloosde dienstplichtigenleger meteen naar de rebellen over. Ook in Syrië zijn duizenden dienstplichtigen overgelopen, die nu het oppositionele Vrije Syrische Leger (FSA) vormen. Maar er is geen aanwijzing dat de goedbewapende elite-eenheden waarop het regime steunt uit elkaar vallen. Daarom wint het idee terrein om wapensteun te geven aan het lichtbewapende FSA. Arabische Golfstaten, die graag verlost zijn van een bondgenoot van Iran, zouden nu al wapens sturen. Maar het FSA blijft een losse verzameling lokale milities. En er zijn conflicten tussen commandanten en met de politieke oppositie. Door structurele wapensteun zou de oorlog bovendien alleen escaleren.

De Arabische Golfstaten mogen geopolitiek voordeel zien in de val van Assad, elders is er grote beduchtheid voor de consequenties voor deze complexe en instabiele regio. Hier immers komen het Arabisch-Israëlische conflict en de groeiende spanningen met Iran samen.

Te verwachten is dat een nieuw regime voortkomt uit de sunnitische meerderheid, wat de verhoudingen in het gebied dramatisch zou veranderen.

Een nieuwe burgeroorlog in Libanon hoort dan tot de mogelijkheden, Irak vreest een opleving van het sektarisch geweld. Israëlische experts noemen de val van Assad „een ramp voor Israël”. Voor het Westen is dat nóg een goede reden voorlopig niet in te grijpen.

In het nieuws: pagina 4-5

    • Juurd Eijsvoogel
    • Carolien Roelants