Papa is een punk

Hoe kun je ‘Fuck authority’ zingen en tegelijkertijd kinderen opvoeden? In de documentaire The Other F Word zijn punkers en hun kinderen te zien.

THIS HANDOUT FILE HAS RESTRICTIONS!!! Fat Mike (NOFX) and daughter in "THE OTHER F WORD" a film directed by Andrea Blaugrund Nevins. NYTCREDIT: Oscilloscope Laboratories 11fword

Soms twijfelt Lars Frederiksen. „Mijn zoontje is het belangrijkste in mijn leven. En ik wil hem niet remmen in zijn ontwikkeling.” En dus vraagt hij zich soms af: had hij nu echt zijn hele hoofd vol moeten laten tatoeëren? Die tekst ‘Skunx’ (‘stinkerds’) op zijn voorhoofd, het doodshoofd en de sterren naast zijn ogen, de vleermuis en zwaluw in zijn nek – welke indruk zal dat op school wekken? „Maar ja”, besluit de zanger-gitarist van de Amerikaanse punkband Rancid: „Ik heb destijds de familie van mijn vrouw kunnen overtuigen, dus met die fucking leraar moet dat straks ook wel lukken.”

Frederiksen is een van de vele punkvaders in de documentaire The Other F Word die piekert over zijn vaderschap. De film van Andrea Blaugrund Nevins verscheen vorige week op dvd en is gebaseerd op het Grote Handboek Pedagogiek voor Punkers, Punk Rock Dad (2007) van Jim Lindberg, frontman van de Californische punkband Pennywise. Behalve zanger is Lindberg ook vader van drie dochters, en die rollen bijten elkaar, schreef hij destijds. Sterker nog: het maakt van hem „the world’s biggest sellout hypocrite”. Immers: hoe kun je tegen het systeem zijn en tegelijk thuis regels handhaven? Waarom zouden kinderen luisteren naar een man die ’s avonds niet eens het vlees aansnijdt (of in het geval van de meeste punkers: de tofu), maar ver van huis op een podium zijn anarchistische evangelie staat te brullen? „Fuck authority! Silent majority, raised by the system. Now it’s time to rise against them. Fuck no, we won’t listen!” Hoe kan de persoon die dat zingt, ooit zijn kind straffen met huisarrest?

Het boek was komisch, de film is genadeloos. De onwennigheid laat zich gemakkelijk filmen: de gammele bandbusjes met kinderzitjes achterin, vaders die hun baby per ongeluk boven de box loslaten, scheten latende punkers die hun kroost afleveren bij de particuliere school en klagen dat de andere ouders „zo verschrikkelijk saai” zijn.

De dochter van Flea (Red Hot Chili Peppers, maar begonnen in punkband Fear) klaagt over een balletles waarbij niemand meer de gang opdurfde omdat er een „freak met een hanenkam” rondhing. „O, dat is mijn vader.” Jack Grisham (T.S.O.L.) schaamt zich nog steeds voor zijn enige bezoek aan de schooldirecteur. „Werkelijk, ik had geen flauw idee dat er ‘Fuck the Police’ op mijn T-shirt stond.” Of en hoe de echtgenotes met het gestuntel van hun mannen omgaan, blijft de vraag: zij komen namelijk nauwelijks in beeld, zoals ook punkmoeders schitteren door afwezigheid. Toegegeven, het is even speuren, maar één had best gemogen. Waar was bijvoorbeeld Brody Dalle (The Distillers/Spinnerette), twee kinderen, getrouwd met stonergod Josh Homme van de groep Queens of the Stone Age?

Soms wordt het echt pijnlijk. Bijvoorbeeld als Frederiksen met zijn zoontje een speeltuin in San Francisco binnenloopt, uiteraard in zijn dagelijkse kloffie: geelzwart gevlekt panterkapsel, afzakkende punkbroek met rode en zwarte pijp en een mouwloos shirt met de opdruk ‘I hate people... and they hate me’. Zodra hij zijn kleine Wolfgang Erik in de schommel heeft gehesen, stroomt de speeltuin leeg. „Weet je hoe je zo snel mogelijk een park ontruimt?” vraagt hij een vluchtende moeder. „Met een punker en een camera!”

Ondertussen zien we Lindberg thuis zijn tas inpakken voor de zoveelste tournee. Hij onderhandelt met zijn dochters hoeveel barbies hij moet meenemen. Maar er gaat ook haarverf mee, en een lading baseballpetjes om zijn terugwijkende haargrens te maskeren. Want ook al is hij twee keer zo oud, „de fans willen dat ik twintiger ben”.

Net zoals de meeste vaders in de film was hij een jonge puber toen The Clash, Sex Pistols en Ramones hun eerste platen uitbrachten. Pennywise hoort bij de generatie van skatepunkers die in de jaren negentig doorbraken met een radiovriendelijker geluid: nog steeds hard en snel, maar ook glad en melodieus. En er was nog een verschil met de pioniers: dit keer rinkelde de kassa. Bands als Green Day, Offspring en Blink-182 verkochten miljoenen platen.

Pennywise brak weliswaar wereldwijd door, maar greep naast het grote geld – helemaal toen fans gingen downloaden. Daarom, mijmert Lindberg, moet hij steeds vaker van huis om de liefdes van zijn leven te onderhouden.

De zorgen van Mark Hoppus, zanger-bassist-miljonair van Blink-182, verbleken daarbij. Zijn MTV-status van naaktlopende lapzwans kwam hem eigenlijk wel van pas, zegt hij tevreden. „De verwachting over mij als vader waren zo fucking laag. Lager kon de lat niet liggen.” Het was alleen wel even slikken toen hij besefte dat hij alleen de gekuiste versies van zijn muziek aan zijn zoontje kon laten horen. „Het gebruik van sommige woorden proberen we zo min mogelijk aan te moedigen”, zegt ook zanger-gitarist Tim McIlrath (Rise Against). Vergeefse moeite natuurlijk, „maar we steken onze vinger in de dijk en hopen dat het droog blijft”. Mike McDermott (Bouncing Souls) klaagt dat hij thuis regelmatig dollars in de vloekpot moet doneren. „Zelfs bij ‘crap’ moet ik betalen. Dat staat gewoon in het woordenboek!”

En dan de kinderen zelf. Die blijken behoorlijk te kunnen dreinen en het bloed onder de nagels van hun punkvaders vandaan te halen. „Ik doe toch wat ik wil”, blaft de kleine McIlrath vanaf de achterbank. „Eh”, antwoordt vader bijna beschaamd: „Papa en mama maken de regels. Zo gaat dat.” Ook Lindberg lijkt zijn dochters nooit een fatsoenlijke uitbrander te geven. Als ze op hun kinderfietsjes roekeloos de straat oversteken, zegt hij hooguit: „Ik weet niet helemaal zeker of dat cool was.”

Zanger-bassist Fat Mike (NOFX) zweert stoer nog nooit nuchter te hebben opgetreden omdat hij met zijn vrouw „een pact” heeft gesloten: nooit zouden ze hun levensstijl vol geestverruimende versnaperingen aanpassen aan hun kind. Maar als zijn dochter ’s ochtends vroeg te lui is om uit bed te komen, draagt hij haar de trap af, zet haar op de bank voor de tv en serveert toast met marshmallow-spray en cornflakes. Haar enige bedankje: „Jij krijgt nooit een hapje! NOOIT!” Als hij daarna de kleerkast van Hare Majesteit doorspit op zoek naar een jurkje dat haar koninklijke goedkeuring kan wegdragen, kijkt ze niet eens. „Die roze misschien?” vraagt papa. „Of toch die met hartjes en schedels?”

Dat maakt The Other F Word zo geslaagd. Zie je wel, denk je. Het zijn softies!

Maar het zijn niet voor niets zulke goeie lobbesen, zo blijkt. Want behalve de liefde voor de muziek is er nog een belangrijke reden waarom ze zich als puber zo vol overgave in de punkrock hebben gestort. Bijna allemaal komen ze uit gebroken gezinnen, en stuk voor stuk haten ze hun vader. Omdat hij nooit naar hen omkeek. Omdat hij ‘een pakje sigaretten ging halen’ en nooit meer terugkwam. Omdat ze thuis voor hem moesten salueren. Of omdat hij hen sloeg. „Ik zou willen dat ik ook mijn vader was geweest”, vat Art Alexakis (Everclear) het leed samen. En dus is het eigen kind koning(in), als wraak op pa.

Bij Lindberg moet uiteindelijk ook de band eraan geloven. „Het klinkt misschien idealistisch”, verontschuldigt hij zich, „maar misschien is de manier om de wereld te veranderen niet een punkrockplaat maken, maar betere ouders worden.” Hij heeft nu wel genoeg verjaardagen, pianovoorstellingen en voetbalwedstrijden gemist, vindt hij. „Voortaan wil ik er zijn voor mijn kinderen. Misschien is dat wel the punkest thing of all.”

Andrea Blaugrund Nevins: ‘The Other F Word’. Verschenen op dvd bij Oscilloscope Pictures.