Paard op het ijs

Het was liefde op het eerste gezicht. Toen de bruinharige Jasper zijn nieuwe buurvrouw een paar maanden geleden op het erf zag lopen, puilden zijn ogen haast uit zijn hoofd, zo mooi vond hij haar. Ze had een zwarte glimmende vacht, luisterde naar de naam Chanel en was net als hij een volbloed. Wat een geluk dat ze in de stal tegenover hem kwam te staan, dacht Jasper. Zo kon hij ’s nachts naar haar gluren en af en toe zijn neus tegen de hare drukken.

In de weken daarna gingen Jasper en Chanel vaak samen uit rijden. De liefde bleek wederzijds te zijn. Als trotse pauwen liepen ze naast elkaar over de klinkerweggetjes door de polder. Zo dicht mogelijk probeerden ze tegen elkaar aan te kruipen, zodat de stijgbeugels van hun baasjes als belletjes tegen elkaar klingelden.

Overdag, als alle paarden naar de wei werden gebracht, kregen Jasper en Chanel allebei een apart stukje gras toebedeeld, van elkaar gescheiden door een brede sloot. Zo konden ze nog wel naar elkaar kijken, maar echt samen spelen lukte helaas niet. Soms hinnikte Jasper even naar Chanel, dan kwam ze vrolijk naar het hek gedraafd. En een paar keer overwoog Jasper overmoedig om gewoon maar over dat hek heen te springen, zodat hij bij haar kon zijn. Maar dan was het weer te modderig en was hij bang dat hij zou uitglijden en voor gek zou staan.

Maar toen, van de ene op de andere dag, ging het vriezen. De sloot waar Jasper en Chanel normaal uit dronken, vroor helemaal dicht. De eerste dagen was het ijs nog te dun, maar na een dag of vier zag Jasper in de verte schaatsers door de polder trekken. „Dat moeten wij toch ook kunnen?” zei hij tegen Chanel, en hij spoorde haar aan om een voet op het ijs te zetten. „Want ik ga vast slippen met mijn hoefijzers, dat wordt niks.” Chanel aarzelde geen moment en stapte dapper het ijs op, eerst met twee en toen met alle vier haar hoeven. Het ijs kraakte, maar bleef heel. En dankzij de dikke laag sneeuw gleed ze niet uit.

Na een meter of tien kroop ze aan de andere kant de wal weer op. Jasper stond haar op te wachten en begon meteen haar hoofd en nek te likken. „Knap gedaan meisje!” Samen draafden ze door de sneeuw en dartelden ze om elkaar heen. En wat moesten ze die avond lachen om de verbaasde gezichten van hun baasjes, toen ze hen uit de wei kwamen halen. Die snapten er niets van. „Hoe komen jullie nu weer bij elkaar?” Totdat ze de hoefsporen op het ijs zagen, en hun sluiproute werd ontdekt.