Logeren in een postapocalyptische zooi

Vierentwintig kunstenaars bieden in ‘Wake up in Art’ een hotelkamer aan. Slapen tussen de sculpturen in onbeschrijflijke ateliers.

De wind snijdt in mijn gezicht als ik ’s avonds over de Coolsingel loop, tussen de hoge gebouwen met neonverlichting zoals het Hilton. Ik ben onderweg naar een ander soort hotel: ‘Hotel Rotterdam’. Alleen deze week, nu Rotterdam als een Miami aan de Maas uit zijn voegen barst van de kunstbeurzen, bieden vierentwintig kunstenaars gastvrij een hotelkamer aan, van superdeluxe tot zeer studentikoos.

Voor 40 euro boek je een slaapplek via wakeupinart.nl, na betaling hoor je de locatie. Voor mij is dat kunstenaarsinitiatief Cucosa, achter Hofplein. „Sommige dingen zijn precies zoals in een hotel”, zegt Toine Klaassen van Cucosa, als ik hem tevoren bel. „Andere juist helemaal niet. Neem in elk geval een muts mee, het is hier heel koud.”

Maar in de hotelkamer zelf is het warm. Een maand lang, met tussenpozen, is Klaassen bezig geweest om in zijn enorme atelier een kamertje te bouwen van afvalhout, dozen, spiegels, luxaflex. Aan de voet van het bed draait op een televisie een naaktperformance, op een cassetterecorder kan ik voor het slapen gaan een sprookje over appels beluisteren. De recorder staat naast het bed in een bont gedecoreerde hotelreceptie vol potjes en knipsels en – meer functioneel – handdoeken, doucheschuim, wijn, Belgisch bier.

Een verwarminkje staat druk te ratelen en op het bed ligt een nieuwe elektrische deken. „Voor mensen die een beetje meer de norm zijn, zoals jij, moest ik wel enig hotelcomfort bieden. Mijn vrouw zei ‘Toine zorg godverdomme voor schoon beddengoed’. Zelf slaap ik heel anders.”

Al had Klaassen zichzelf nu ook maar verwend met een elektrische deken. IJs glinstert binnen aan de muren van Cucosa, waar hij soms zelf slaapt – omdat hij graag ’s nachts doorwerkt – en waar andere kunstenaars voltijds wonen. Nog even. Eind vorige eeuw, in aanloop naar het culturele hoofdstadjaar, kraakten jonge kunstenaars deze hofbogen onder station Hofplein. De NS verkocht de ruimte aan vastgoedontwikkelaars die de kunstenaars er voor april uitzetten. Een paar bogen zijn al omgetoverd tot trendy winkeltjes. Klaassen: „Ze willen ons eruit hebben om iets met cultuur te gaan doen.”

Voor ik in bed stap drinken we een glas whisky, terwijl Klaassen friet staat te bakken. Het is een onbeschrijflijk atelier: doorgebroken gewelven vol met de meest postapocalyptische zooi – hout, plastic, parasols, dieren op sterk water. Hier werkt hij aan installaties en performances die gaan over andere manieren van stedelijk leven. „Kwakzalven aan de rafelranden van de beschaving”, noemt Klaassen zijn zoektocht naar een nieuwe levensovertuiging. Genoeg voer om van te dromen maar ik slaap heel vast in mijn hotelcocon. ’s Nachts als ik wakker word ruik ik pepermuntdampen waarvan ik de oorsprong niet kan plaatsen. Ik kijk naar buiten door de koelkastruitjes waar mijn kamer mee opgebouwd is, en door het spaarzame licht veranderen de metershoge sculpturen en bouwsels van Klaassen in een leger van een onbekende inheemse bevolking.

De volgende ochtend tikt Klaassen tegen het raam met een glas jus d’orange. „Geen last gehad van lawaai? Ik was vergeten te zeggen dat hier ratten zitten, die kunnen een enorm kabaal maken. Wat voor ontbijt wil je? Tosti geitenkaas?” Bij de tosti serveert hij koffie en bijenstuifmeel – „bijna alle aminozuren die een mens nodig heeft” – en krijg ik een laatste rondleiding door het labyrintische pand. De overnachting deed de slogan van Hotel Rotterdam eer aan: ‘Wake up in art’. Als elke dag hetzelfde is, maak je nooit iets mee, aldus Klaassen.

Thuis vind ik in mijn tas het restant van de miniperformance bij ons afscheid: een masker van aluminiumfolie, dat Klaassen verfrommelde. Een herinnering aan een avontuur.

Hotel Rotterdam, inl.: www.wakeupinart.nl