Kraamhulp halen bij -27,4 graden

Koud? Op 27 januari 1942 was het koud! Winterswijk houdt het nationale vorstrecord. Mientje Averdonk, toen 12: „Door de wasem uit je mond bevroor het laken.”

Winterkou, januari 1942. Schoolkinderen in Amsterdam warmen hun handen bij de kachel. Foto Hollandse Hoogte

Vingers die blijven kleven aan de thermometer, een wekker die stilvalt omdat de olie stroop is geworden. Zo koud is het 27 januari 1942, de dag waarop de laagste temperatuur in Nederland is gemeten, -27,4 graden Celsius in Winterswijk. Het is KNMI-waarnemer Jaap Langedijk die de historische meting verricht met zijn geijkte waarneemstation.

Langedijk, inmiddels overleden, vertelde er graag en vaak over. Leerlingen van de openbare School C, waar hij les gaf, kregen het verhaal te horen zodra de kou inviel. Het was een heldere dag met „een soort fijne poolsneeuw”, beschrijft Langedijk in het boek Winterswijk, een eeuw verandering.

De 82-jarige Mientje Averdonk zal de koudste dag in 1942 niet snel vergeten. Ze doet in de nacht van 26 op 27 januari geen oog dicht. Haar ‘tweede moeder’ moet bevallen, vertelt ze, zittend in een leunstoel in haar behaaglijke woonkamer in een verzorgingshuis in Winterswijk, een gemeente in de Achterhoek met 29.000 inwoners, in de vorige eeuw gegroeid door de textielindustrie. Het is de geboorteplaats van schrijver en dichter Gerrit Komrij en voormalig PvdA-minister Bram Stemerdink.

Op 27 januari 1942 wordt ’s ochtends haar halfzusje Annie geboren. In alle vroegte – het begint al licht te worden – haalt de jonge Mientje een buurvrouw op die het gezin moet helpen. Kraamhulpen zijn er niet. Dat is een taak van de vrouwen in de buurt. Met wanten aan, dikke sokken en een warme jas waar haar vader nog een sjaal omheen wikkelt, gaat ze op pad, te voet door een pak sneeuw van veertig centimeter. Het is vijftien minuten lopen van de boerderij in buurtschap Meddo waar zij woont, naar die van de buren. Maar ze doet er langer over, ondanks haar grote haast. „Mijn mond was helemaal stijf van de kou.”

Haar man, Bennie Averdonk, 86 jaar: „Ja, de winters waren vroeger koud, heel koud.”

Zij: „Je had geen centrale verwarming, geen telefoon, geen elektriciteit, geen stromend water.”

Hij: „En slechte binnenwegen.”

Het was ook nog oorlog, maar daar merkten ze die winter nog niet veel van op het Winterswijkse platteland, op een steenworp afstand van Duitsland.

Mientje Averdonk herinnert zich het bevroren beddengoed: „Door de wasem uit je mond bevroor het laken.” En de buurman die met zijn paard met daarachter een ‘puntige kist’ een weg naar school baant. „Die kist ging als een ijsbreker door de sneeuw.” Het is een half uur lopen naar school, waar het heerlijk warm is. Thuis trouwens ook. Daar branden de kachel en het fornuis.

Na schooltijd schaatsen de jongens op de sloot, de meisjes gaan ‘baantje glijden’. Schaatsende meisjes zijn „niet zedig”, vertelt ze. „Stel je voor dat ze vallen, met hun rok omhoog.” Ze verzamelen rijshout voor de kachel, schuren hun klompen met zand en kalk zodat ze weer „mooi blank” zijn. Ze schillen aardappelen voor de volgende dag en maken pap van karnemelk en havermout. „Er was verder niks, geen tv, geen radio, geen speelgoed. Dat was niet erg, hoor. Ik heb dat nooit gemist.”

Ook Henk Krosenbrink uit Winterswijk, 83 jaar, oud-docent, oud-journalist en auteur van streekromans, staat die barre winterdag van 1942 nog helder voor de geest. Hij beschrijft hem in zijn vorig jaar verschenen boek Scholier in oorlogstijd, hoe hij samen met een vriend vanuit Miste, een van de negen buurtschappen bij Winterswijk, al „glibberend en ploeterend” naar school, de hbs, probeert te fietsen. „We waren dik ingepakt en aan het stuur zaten handbeschermers. Maar het was onderweg zo koud, dat we telkens met de fiets aan de hand een eind liepen om warm te blijven.”

De boerenzoon is een kwartier te laat, wat hem komt te staan op een reprimande van een amanuensis. Maar de leerkracht van wie hij het eerste uur les heeft, is niet boos, eerder verbaasd. „Dat hij gekomen is, helemaal uit Miste!” Hij mag bij de kachel gaan zitten.

Als er in februari geen kolen meer zijn voor de verwarming, gaat de school wekenlang dicht.

De strenge vorst houdt die winter zeker een week aan, herinneren Averdonk en Krosenbrink zich. Koud blijft het nog tot in februari of zelfs maart. De winter van 1942 hoort met gemiddeld -1,5 graden tot de vijf koudste van de vorige eeuw.

    • Annette Toonen