Iedere dag, ieder uur, denkt hun familie nog aan Uruzgan

Vandaag evalueert de Tweede Kamer de militaire missie in Uruzgan. Wat waren de kosten, wat waren de baten? Vijfentwintig militairen kwamen niet levend terug uit de Afghaanse provincie. Had hun dood zin? „Wij deelden in zijn enthousiasme toen hij hoorde dat hij mocht”, zegt een moeder.

Mark Schouwink zal voor eeuwig 22 jaar oud blijven. Altijd de jonge man die vanaf de grote foto aan de muur de woonkamer van zijn ouders in Hengelo inkijkt. Zijn blik tussen peinzend en ondeugend, een sigaret bungelend in zijn rechtermondhoek. Het embleem van de internationale troepenmacht in Afghanistan prijkt prominent op de opgerolde mouw van zijn uniform. Hij heeft twee littekens op zijn gezicht. Niet uit de oorlog, maar van een gevecht in de kroeg waar hij voor zijn oudere broer Ruud opkwam.

Eigenlijk had hij over drie maanden 27 moeten worden, door moeten studeren om officier te worden, zijn eigen gezin moeten stichten, leven. Maar op 18 april 2008 reed hij in Uruzgan op een bermbom. „Hij is zestig meter uit de jeep geslingerd. Zijn hart zat in zijn kont, zo hard was de klap”, vertelt zijn vader Gerard Schouwink.

Vandaag evalueert de Tweede Kamer de missie in Uruzgan, de Zuid-Afghaanse provincie waar Nederland van 2006 tot 2010 optrad. Er zal worden gedebatteerd over de hearts en minds van de Afghaanse bevolking, de aangelegde infrastructuur, de 2 miljard euro die zijn uitgegeven. De kosten, de baten en de meetbaarheid daarvan.

De vraag is hoe lang wordt stilgestaan bij wat de missie Nederland óók gekost heeft: het leven van 25 militairen. Militairen die het ultieme offer brachten. Mannen die ouders, weduwen, kinderen, broers, zussen en geliefden achterlieten. Voor Den Haag is Uruzgan nu geschiedenis. De families van zij die sneuvelden zijn er voor altijd mee verbonden. „Er gaat geen dag, geen uur voorbij, dat we er niet aan denken”, zegt Gerard.

Uruzgan was soldaat Schouwinks allereerste uitzending. „Het avontuur waarvoor hij bij defensie was gegaan”, zegt zijn moeder Gisela. Dat vertellen meer ouders over hun omgekomen zonen: die wilden niets liever dan op missie. „Wij deelden in zijn enthousiasme toen hij hoorde dat hij mocht”, zegt Marianne Krist, over haar Tom. „Hij wist hoe gevaarlijk het was. Hij was niet bezig met zichzelf, maar met het veilig thuisbrengen van dertig à veertig mannen voor wie hij verantwoordelijk was.” Die mannen kwamen terug. Luitenant Tom Krist (24) stierf op 12 juli 2007 aan de hersenschade die hij twee dagen eerder opliep bij een aanslag op de bazaar in Deh Rawood.

De eerste militair die in Afghanistan door geweld om het leven kwam, was korporaal Cor Strik (21) die met zijn luchtmobiele brigade een speciale operatie aan het uitvoeren was. Voor Nederland was zijn dood, op 20 april 2007, de eerste confrontatie met het feit dat een ‘opbouwmissie’ inhield dat er gevochten werd. Voor zijn broertje, vader en moeder was het „de dag waarop de wereld stil is blijven staan”, zegt Heidi Strik.

In hun huis in Amersfoort is Cors slaapkamer nog precies zoals vijf jaar geleden. Heidi: „Zijn tandenborstel staat nog boven. Zijn sleutels hangen nog in de keuken.” Maar verder is alles anders.

De ouders vertellen allemaal dat hun leven in twee periodes uiteenvalt. De tijd voor de dag dat hun zoon stierf en die daarna.

Toen die dag om tien over acht ’s ochtends een man voor de deur in Hengelo stond, niet in uniform, maar in een spijkerbroek, wist Gisela meteen dat het mis was. „Zelfs jehova’s zijn niet zo vroeg.”

Alle drie de moeders vertellen dat ze het pas echt geloofden toen het lichaam van hun zoon in Nederland was. Militairen dragen een naamplaatje om hun nek, maar er bleef een sprankje irrationele hoop tot ze het met eigen ogen zagen.

Marianne en Wil Krist zijn zelfs in Uruzgan geweest, met een reis die Defensie in 2010 voor nabestaanden organiseerde. Naar de plek des onheils mochten ze niet, maar ze bezochten het kamp waar hij de laatste maanden van zijn leven at, sliep en woonde. „Door daar de sfeer te voelen, de omgeving te zien en te ruiken, hebben we dat stukje van hem als het ware mee naar huis genomen”, zegt Marianne. Het feit dat Defensie het veilige genoeg vond om ouders toe te laten in Uruzgan, sterkt haar in het gevoel dat Tom iets wezenlijks heeft bijgedragen in Afghanistan.

Deze drie gezinnen prijzen de nazorg van Defensie, waar ze nog steeds kunnen aankloppen voor hulp. Intensief contact is er ook met de militairen die de dood van hun kind van dichtbij meemaakten. Eerst kwamen ze langs om te vertellen wat er gebeurd was. Toen om te herdenken. En nu ook voor de gezelligheid. Veel legerkameraden van Mark Schouwink hebben tatoeages laten zetten ter ere van Dennis en Mark. Sommigen hebben nog veel last van de herinneringen aan die ene dag.

„Ik kan op niemand kwaad zijn. Zelfs niet op die man die de bom neerlegde en Mark naar een andere planeet schoot. Die was niet op hem gericht, maar op het systeem”, zegt Gerard. „Zeker ook niet op Defensie. Zij voeren ook maar een politiek besluit uit.”

En de politici die dat besluit namen?

„Daar hebben wij wel een mening over”, zegt Gerard, enigszins voorzichtig. „Wij waren nooit voor die missie, maar het is een democratische beslissing geweest.”

Gisela: „We stonden achter Mark, hij wilde zelf.” Niet omdat hij zo patriottisch of idealistisch was, maar omdat hij het spannend vond.

Gerard: „Ze hebben hier naderhand allemaal op de bank gezeten, de hoogste militairen. Hoe meer strepen en sterren, hoe meer men het nut van de missie inziet. Zij zeggen dat ‘we’ daar zijn voor een betere wereld, een veiliger Afghanistan. Dat wat Mark in Uruzgan deed belangrijk is.”

Gisela: „Maar, Gerard, we zijn daar weg nu. Wat heeft het allemaal voor zin gehad?”

    • Emilie van Outeren