'Het ijs moet vijftien centimeter dik zijn'

wilmer heck & freek schravesande

NOVUM16: SNEEUWVAL IN ALMERE; ALMERE TUSSEN DE VAARTEN; 03FEB2012; Na de hevige sneeuwval wordt door een enthousiaste bewoner sneeuw geruimd van een bevroren vijver om een ijsbaantje te creeeren. Novum/rm/str/Robert Meerding NOVUM ROBERT MEERDING

De aanleiding

De Elfstedentochtkoorts steeg: wordt de heilige vijftien centimeter gehaald voordat de dooi invalt? IJsmeester Jan Oosterburg van De Friesche Elf Steden was maandag stellig: „Het moet vijftien centimeter ijs zijn.” Gisteren werd bekendgemaakt dat de tocht er voorlopig niet komt, omdat de vijftien centimeter bijna nergens wordt gehaald. Maar moet het ijs dan echt zo dik zijn?

Mogelijke interpretaties

Wie de website van De Friesche Elf Steden bekijkt, ziet dat op bijna de hele route het ijs vijftien centimeter dik moet zijn. Henk Kroes, voormalig ijsmeester en voorzitter van de organisatie, legt uit: „Onder bruggen mag het best wat minder zijn. Daar is geen risico op opeenhoping van schaatsers, zoals bij de stempelposten.” De norm van vijftien centimeter geldt dus voor plekken met veel schaatsers.

En, klopt het?

Natuurkundige Marcel Minnaert hanteerde de volgende vuistregel: de draagkracht van ijs is ongeveer evenredig met het kwadraat van zijn dikte. IJs met een dikte van 4 à 5 cm kan een persoon dragen, ijs van 9 cm een ruiter, 14 cm een wagen met vee. Maar een grote mensenmenigte is pas veilig bij een ijsdikte van 27 cm, terwijl ijs van 45 cm zelfs een spoortrein zou kunnen dragen.

De norm van vijftien centimeter die De Friesche Elf Steden hanteert, is dan ook geen exacte wetenschap. „Het is een beetje een ervaringscijfer uit het verleden”, verklaart oud-voorzitter Kroes. Als grote groepen schaatsers dicht bij elkaar in dezelfde cadans schaatsen, ontstaat er beweging in het ijs en is de vijftien centimeter volgens Kroes gewenst. Het grootste risico vormen stilstaande massa’s. Bij stempelposten en kluunplaatsen kunnen tientallen schaatsers tegelijk tot stilstand komen. En het publiek mag niet op het ijs komen, maar op een traject van bijna 200 kilometer kan dat lang niet altijd worden voorkomen.

Wetenschappelijk onderzoek naar ijsbelasting ontbreekt in Nederland. Maar een snelle rekensom van Daniel Bonn, hoogleraar complexe vloeistoffen aan de Universiteit van Amsterdam, leert dat 15 centimeter aan de lage kant is. Uit een ingewikkelde berekening, waarin Bonn de eenheden ‘gewicht’, ‘elastische eigenschap van ijs’ en ‘energie om een breukvlak te creëren’ meeneemt, blijkt het volgende: als je 1 vierkante meter ijs uitzaagt en in de lucht aan alle kanten stevig vasthoudt, heb je een ijsdikte van 20 centimeter nodig om iemand van 100 kilo te dragen. Voor iemand van 80 kilo voldoet een ijsdikte van 16 centimeter op 1 vierkante meter.

De berekening voor een toertocht is veel complexer. Je hebt te maken met ijs dat drijft op water – wat zorgt voor tegendruk. Ook de spankracht van het ijs is van belang: sta je op ijs van een meer of van een sloot? Net als de structuur: welke mineralen zitten in het ijs, wat zijn de zwakke plekken in de structuur. „De rekensom is zo ingewikkeld dat eigenlijk alleen de ijsmeester op basis van zijn fingerspitzengefühl kan bepalen of het ijs dik genoeg is”, stelt Bonn. Maar, zegt hij, zeker als mensen massaal stilstaan op een klein oppervlak ijs, is een dikte van 15 centimeter aan de krappe kant.

Conclusie

Onderzoek naar de ijsdraagkracht tijdens een Elfstedentocht ontbreekt. Omdat zo veel factoren een rol spelen, heb je weinig aan berekeningen en telt vooral de ervaring van de ijsmeesters. Een dikte van 15 centimeter noemen zij voldoende. Volgens rekensommen van wetenschappers zitten ze daarmee eerder aan de risicovolle dan aan de ruime kant. Op grond daarvan beoordelen we de stelling dat het ijs in ieder geval ‘vijftien centimeter dik moet zijn’ als waar.