Genade, eenhoorns en toch: ontroering

Een staande ovatie was er gisteren voor de zelden opgevoerde ‘Legende van de onzichtbare stad Kitesj en het meisje Fevronja’ van Rimski-Korsakov in de knappe regie van de Dmitri Tcherniakov.

Svetlana Ignatovich (Fevronja), Maxim Aksenov (Prins Vsevolod Joerjevitsj)

Er zijn van die opera’s waarvan de titel het etiket ‘meesterwerk’ op voorhand al weinig aannemelijk maakt. Neem Rimski-Korsakovs De legende van de onzichtbare stad Kitesj en het meisje Fevronja. Waren Kitesj of Fevronja niet pakkender geweest? Maar snedig- of bondigheid moet je loslaten in Rimski’s wereld. Overgave – dat is het sleutelwoord.

Muzikaal meesterlijke scènes zijn er te over in Kitesj. Het ijlen van de dronkenlap Grisjenka. De familiescène in het Paradijs, omkleed door klokgelui en etherisch getinkel. De orkestraal overdonderende ‘Slag bij Kerzjenets’. De talrijke massakoren van totaal 135 koorzangers, met een mannenkoor dat bidt om genade als hoogtepunt.

Alleen moet je voor die amuses van meesterschap wel door drieënhalf uur traditionele, oer-Russische hoogromantiek heen waden. Verwijzingen naar Wagners Parsifal (orkestratie, Graalsmotief, Bloemenmeisjeskoor) maken des te duidelijkere dat meesterorkestrator Rimski als componist het bedwelmend genius van Wagner ontbeerde.

Dat gezegd hebbend: veel beter dan nu bij De Nederlandse Opera zal De legende van de onzichtbare stad Kitesj en het meisje Fevronja – sinds de première (1907) weinig opgevoerd, hier eens in een museale productie door het Mariinski met Gergiev (1994) – voorlopig niet te zien zijn. Operachef Marc Albrecht stuurt het Nederlands Philharmonisch en koor van de Nederlandse Opera waakzaam aan in opulente natuurevocaties, imponerende massascènes en broos ensemblespel. Alleen de mystieke zwelgkracht, die kan in de komende zeven voorstellingen nog wat groeien.

Dramaturgisch is Kitesj een kegel. De spanning zwelt aan bij de introductie van het natuurmeisje Fevronja, een soort edele wilde, en haar opbloeiende romance met een gewonde jager, prins Vsevolod van Kitesj. De intimiteit van die scène contrasteert maximaal met het brallend volk in Klein Kitesj (de zondige stad), dat zich verheugt over de bruiloft, maar wordt afgeslacht door oprukkende Tataren. In de derde akte maakt Groot Kitesj, spiritueel toevluchtsoord, zich op voor slachting door de Tataren. Maar zie! Kitesj wordt omhuld door goddelijke goudnevel. De heilsgedachte is daarmee wel verspreid zou je zeggen, maar dat blijkt een misvatting. In de lange slotakte hervindt Fevronja haar prins en andere dierbaren in het Paradijs.

Regisseur Dmitri Tcherniakov, internationaal gelauwerd om interpretaties van vele vooral Russische opera’s, heeft de intieme begin- en slotakte geënsceneerd in een toverbos van zeldzame filmische schoonheid. Dat toneelbeeld oogstte gisteren op het eerste gezicht meteen luide bijval: een zeldzaamheid bij modern regietheater. Ook bij Tcherniakov is de schoonheid overigens nergens onfunctioneel. Zij dient als lichtend contrast met de lelijkheid van de stad – een eigentijds Sovjetplein vol functionele betonbouw – en de Tataren: doorgedraaide Hells Angels met geweren in plaats van een moraal.

Het contrast dat Tcherniakov zo schept, werkt. Hoe op het randje van kitsch de opera zelf soms ook is en hoe lachwekkend expliciet ook het libretto („Zie, de eenhoorns hebben zilveren vachten!”), de slotakte in het Paradijs werkt als messcherpe katalysator van menselijke emoties.

Het goddelijke, zo weten we dan al van de pure Fevronja, schuilt in niet klagen over lijden, maar tonen van vreugde en schenken van vergiffenis. Dus daar zit ze, in paradijsgloed herenigd met haar dierbaren aan een theetafeltje met flensjestaart. ,,We bloeien als dadels!”, klinkt het extatisch. En toch werkt deze scene, met groot vreugdekoor uit de coulissen, extreem emotionerend. Omdat ze raakt aan algemeen menselijke verlangens naar geborgenheid, de angst voor verkeerde keuzes.

De voornamelijk Russische cast met vijftien solisten is uitstekend getypecast, al schrijnt het gemis van bas Robert Holl, die zijn DNO-debuut als Vorst Joeri met imponerender en kwetsbaarder charisma zou hebben ingevuld dan Vladimir Vanejev. Opvallend zijn de jonge debutanten Maxim Aksenov als Prins Vsevolod en sopraan Svetlana Ignatovich als Fevronja. Ignatovich paart slavische volheid aan helderheid. Een romiger timbre is denkbaar, maar het jeugdig karakter van Ignatovich’ stem draagt zeker ook bij aan de ontroerende kracht van de voorstelling. Een hoofdrol is er ook voor het volk: het groots zingend operakoor.

Deze internationale coproductie, met veel bravo’s voor zangers en team onthaald, reist door naar Milaan (Scala) en Barcelona (Liceu).

‘De legende van de onzichtbare stad Kitesj en het meisje Fevronja’ De Nederlandse Opera/ Ned.Phil. Orkest o.l.v. M. Albrecht. Gezien: 8 feb. Muziektheater A’dam. Daar t/m 1/3. Trailer/info: dno.nl Radio 4: 3/3, 18 uur. Tv-uitzending in december. ****

    • Mischa Spel