Elk spoortje van Charles Dickens wordt vakkundig uitgevent

Rondom Charles Dickens is een complete toeristenindustrie ontstaan. Waar kun je het best zijn 200ste geboortejaar vieren?

Hoeveel woordspelingen kun je maken met de titels van en personages uit de boeken van Charles Dickens?

Heel veel, blijkt in de High Street van Rochester, aan de noordkust van Kent. Er is Sweet Expectations, de snoepwinkel. Er zijn Baggins’ Book Shop en Tiny Tim’s Tea Rooms. Pip’s is de groenteboer en Ebenezer’s de cadeauwinkel. En zelfs Dickens’ kat leidde tot inspiratie: de lokale galerie heet The Deaf Cat.

Rochester mag de Engelse schrijver met recht claimen. De stad en haar gebouwen komen in verschillende romans voor, Dickens schreef er in 1870 zijn laatste woorden en hij wilde er begraven worden.

Zoals ook Londen recht van spreken heeft: 15 van Dickens’ 16 romans spelen zich af in de Britse hoofdstad. Maar wat te denken van Chatham, waar hij opgroeide. Broadstairs, waar hij vakantie vierde. Portsmouth, waar hij afgelopen dinsdag tweehonderd jaar geleden werd geboren. Ze hebben allemaal een Dickens-museum.

Rond de schrijver is een hele toeristenindustrie ontstaan. Het Verenigd Koninkrijk verdient er jaarlijks 280 miljoen pond (333 miljoen euro) mee, een bedrag dat in dit lustrumjaar makkelijk zal worden verdrievoudigd. Er worden lezingen gehouden – door onder anderen Dickens’ achterachterkleinzoon – en festivals. Er zijn filmvoorstellingen, toneelbewerkingen en exposities. En de belangstelling voor de schrijver is wereldwijd: vanuit de VS, Japan en het Midden-Oosten worden bezoekers verwacht.

Dickens wilde louter om zijn werk worden herdacht en wilde niet dat er monumenten voor hem werden opgericht. Maar er is een reden waarom al die plaatsen hun connectie met Dickens kunnen vieren. De schrijver gebruikte zijn omgeving als muze, en hij had een goed geheugen voor details. Dickens, die aan chronische slapeloosheid leed, zwierf ’s nachts door de plaatsen waar hij woonde. In brieven en aantekeningen hield hij bij waar hij was geweest en die zijn deels bewaard gebleven. De gebouwen waar hij zich door liet inspireren, zijn daarom vaak nog terug te vinden.

Bijvoorbeeld in Rochester. De Guildhall, nu een museum, werd de plek waar Pip in Great Expectations werd gekocht door smid Joe Gargery: „De hal was een vreemde plek, met banken die hoger waren dan die in een kerk”, schrijft Dickens in het boek. Eastgate House werd Westgate House in de Pickwick Papers en een meisjesschool in The Mystery of Edwin Drood.

En Restoration House werd Satis House, waar Miss Havisham in haar bruidsjurk ronddoolde nadat ze op haar huwelijksdag in de steek werd gelaten. Zelfs vandaag de dag is het niet moeilijk om te zien hoe een jonge, arme smidsleerling, opgegroeid in de sombere moerassige omgeving van Rochester, onder de indruk raakte van Satis House.

Hoewel het door Dickens’ benaming voor de stad niet zo lijkt (Rochester werd Mudfog in the Mudfog Papers en Dullborough in the Uncommercial Traveller) schreef Dickens over de stad: „De monumenten en ruïnes zijn ongeëvenaard prachtig.” Hij legde in zijn testament vast dat hij in de gedempte gracht van het Normandische kasteel begraven wilde worden. Die wens werd genegeerd. Net als andere grote schrijvers en dichters ligt Dickens in Westminster Abbey in Londen.

Enkele kilometers ten noorden van de stad ligt, aan de prachtig begroeide Crutches Lane, het huis waar Dickens stierf: Gad’s Hill. Dat is nu een school en niet open voor publiek, maar het Zwitserse chalet waar hij schreef in Gad’s Hill is naar Rochester overgeplaatst.

Ook in Londen zijn Dickens’ inspiratiebronnen terug te vinden. De stad met zijn „koude, natte, onbeschutte straten” (Oliver Twist) ligt „in een grote mist, met hier en daar lichtjes die er doorheen twinkelen, meer verzadigd met de wonderen en verdorvenheden dan elke andere stad op aarde” (David Copperfield).

Veel van de kerken, straten en pubs die hij noemt, bestaan nog. Zoals de toren van Saint Michael of Cornhill, waarvan Scrooge de klokken hoort als de geesten in A Christmas Carol bij hem langskomen, of Cornhill zelf, waar Bob Cratchit sleetje rijdt. Om de hoek ligt de George & Vulture, waar Dickens zelf kwam en waar hij Pickwick en diens vrienden liet samenkomen. Het interieur en de menukeuze lijken sindsdien nauwelijks veranderd.

Ten zuiden van de Theems ligt de George Inn, in de Pickwick Papers omschreven als „een grote, alle kant uitdijende, excentrieke oude taveerne, met balkons en gangetjes en trappen die breed genoeg zijn en oud genoeg om materiaal voor honderd spookverhalen op te leveren”. Dickens’ levensverzekering hangt er aan de muur. Met een beetje fantasie en het wegdenken van 21ste-eeuwse geluiden waan je je in Dickensiaanse tijden.

Daar is geen pretpark voor nodig, de manier waarop Chatham de schrijver eert. Dickens kwam er op vijfjarige leeftijd wonen toen zijn vader werk kreeg als klerk op de – onlangs gerestaureerde – werf van de Royal Navy. Na vier jaar moest de familie al van een mooi huis in Ordnance Terrace verhuizen naar een minder aantrekkelijk huis, en in 1822 volgde een verhuizing naar Londen. Op Ordnance Terrace (nummer 11) hangt een blauw herdenkingsbordje, het andere huis is gesloopt.

Chatham bouwde aan de rand van de stad, naast een winkelcentrum en een megabioscoop, ‘Dickens’ World’. Dat pretpark is bedoeld om toeristen Dickens’ wereld te laten beleven, inclusief de geuren, de kleding en een ontmoeting met Scrooge’s geesten.

Ook de Turner & Dickens-wandeling door Kent heeft weinig te maken met het werk van Dickens. Die loopt van de kustplaats Margate, de inspiratiebron voor landschapsschilder J.M.W. Turner, naar kustplaats Broadstairs, waar Dickens tussen 1837 en 1851 met vakantie ging. Daar is het huis van Mary Pearson Strong, op wie hij David Copperfields tante baseerde, nu een vriendelijk Dickens-museum dat alle memorabilia van eerdere herdenkingen tentoonstelt.

Maar de schilder en schrijver hebben elkaar niet eens ontmoet, en hoewel de wandeling aardig is, zou een tocht door het moerasgebied van Kent geschikter zijn als Dickens-wandeling. De „donkere vlakten, doorsneden door dijken (..), met grazend vee, de lage loodlijn van de rivier, en in de verte de woeste schuilplaats waar de wind vandaan kwam, de zee” bestaan nog steeds.

    • Titia Ketelaar