Eerherstel voor evoluerende vlinder

Een motvlinder die het symbool was van natuurlijke selectie werd na kritiek als argument gekaapt door creationisten. Maar nu is er eindelijk eerherstel voor de berkenspanner.

De berkenspanner, een wijd verbreide mot, gold lang als schoolvoorbeeld van de evolutie. Het verhaal gaat dat in het Engeland van de negentiende eeuw, toen de industrialisatie en de daarbij horende vervuiling doorzetten en de bast van berkenbomen met roet bedekt raakte, donkere berkenspanners de witte verdrongen. De simpele verklaring was dat vogels de meest opvallende motten opaten. Normaal gesproken is de berkenspanner (Biston betularia) wit met zwarte spikkels (deze vorm heet typica), maar er bestaan ook donkergrijze varianten (carbonaria). Op lichte berkenbast waren de zwarte motjes in het nadeel geweest, maar nu, op de vieze donkere stammen, waren de witte dat. Dus die namen in aantal af.

Het verhaal was zo simpel, zo mooi: de berkenspanner was binnen de kortste keren één van de beste argumenten voor natuurlijke selectie en evolutie. Maar eind jaren 90 viel de mot met een klap van deze sokkel. Er kwam kritiek op de theorie en die kritiek kwam creationisten goed uit. Ineens werd de berkenspanner hún symbool. Geneticus en veldbioloog Michael Majerus deed zes jaar lang onderzoek om de getaande reputatie van het insect te repareren – maar hij stierf in 2009 na een kort ziektebed, vóórdat hij de resultaten van zijn experimenten publiceren kon. En nu hebben zijn oud-collega’s zijn werk alsnog wetenschappelijk beschreven. Gisteren werd het laatste experiment van Majerus gepubliceerd in het tijdschrift Biology Letters.

De Britse bioloog Kettlewell was in de jaren 50 een van de eersten die de mottenanekdote experimenteel onderzocht. Hij liet levende motten los in volières met koolmezen en prikte dode motten op de blanke berken bij Dorset en de vervuilde berken bij Birmingham. Steeds turfde hij hoe vaak de motten van beide kleurtypen werden opgegeten. Steeds werd de anekdote bevestigd.

Michael Majerus, die zelf veel onderzoek had verricht naar de donkere verschijningsvormen van lieveheersbeestjes en motten, beschreef Kettlewells experimenten in zijn boek Melanism: Evolution in Action (1997). Het ging mis toen de evolutionair bioloog Jerry Coyne daar een zeer kritische recensie over schreef in Nature. „Naar aanleiding het boek van Majerus las ik het werk van Kettlewell terug, en ontdekte grote problemen” zegt Coyne nu aan de telefoon. „De motten die Kettlewell losliet waren bijvoorbeeld geen wilde motten, maar labdieren. Ik probeerde duidelijk te maken dat we het schoolvoorbeeld niet zo goed begrepen als we dachten.” Hij verwoordt het nu subtieler; in 1998 schreef Coyne nog dat zijn gevoel van ontzetting even groot was als ‘toen ik ontdekte dat mijn vader, en niet de kerstman, de cadeautjes op Kerstavond bracht’.

Tot Coynes en Majerus’ afgrijzen werd het betoog van Coyne door creationisten gekaapt. In hun anti-evolutionaire retoriek spraken ze van de peppered myth (de Engelse naam voor de berkenspanner is de peppered moth). Ook in wetenschappelijke publicaties verscheen kritiek: vogels zouden helemaal geen selectiedruk op berkenspanners uitoefenen.

„Ik denk dat Majerus zich gedeeltelijk verantwoordelijk voelde voor het verlies in geloof in de evolutie van de berkenspanner”, schrijft James Mallet, één van de oud-collega’s, in een e-mail. „Hij vond dat hij het probleem recht moest zetten.”

Zes jaar lang werkte Majerus in zijn tuin aan zijn laatste experiment. Hij zou alles goed doen wat Kettlewell fout deed. Wat Kettlewell niet had kunnen weten. Hij gebruikte wilde motten. Hij liet ze niet massaal los. Hij klom in bomen om ze ook op takken en twijgen te plaatsen, en niet alleen op de stam. Met een verrekijker keek hij of vogels de berkenspanners ook écht opaten. „Het is misschien wel het grootste experiment in zijn soort ”, zegt Mallet,

De resultaten waren eenduidig. Op een witte boom pikken vogels de zwarte motten er eerder uit. Hun overlevingskans ligt 9 procent lager. Majerus presenteerde zijn monnikenwerk op een congres in Zweden in 2007, maar hij stief in januari 2009, voordat hij werk had gepubliceerd. De data stonden wel op zijn persoonlijke website, zegt Bruce Grant, één van de co-auteurs. Maar oud-collega’s vonden dat ze echt gepubliceerd moesten worden.

Was het moeilijk om het werk van een overleden onderzoeker door het proces van peer review te loodsen? „Niet om die reden”, zegt Grant. „We hebben wel discussies gehad over of Majerus op de auteurslijst mocht staan. Veel tijdschriften staan dat niet toe, dus daarom noemen we hem nu in de titel.” De berkenspanner mag terug de tekstboeken in, vindt ook Jerry Coyne. Alleen: „In plaats van naar de experimenten van Kettlewell, moeten we voortaan naar het werk Majerus verwijzen.”

    • Lucas Brouwers