Stop met dat geknipmes voor het koningshuis

Zodra het Koninklijk Huis ergens bij wordt betrokken, verandert de situatie in een gelikte pr-show. Iedereen buigt mee. Wees geen onderdaan, wees burger, betoogt Frank Vermeulen.

Máxima Zorreguieta ontvangt vanmiddag de Machiavelliprijs voor haar „markante bijdrage aan de communicatie tussen overheid en burgers”. En daar is zeker wat voor te zeggen. Sterker nog, als bestuurslid van de Stichting Machiavelli zat ik er zelf bij toen dit ergens eind vorig jaar werd besloten. Maar daar kreeg ik spijt van: ik ben een beetje dom geweest.

De Stichting Machiavelli looft al 25 jaar die prijs uit. Haar bestuur bestaat uit Kamerleden, voorlichters, journalisten en mensen uit de wereld van de public affairs en uit de academie. Eerder ging de prijs bijvoorbeeld naar de Belastingdienst, Loesje, Jan Marijnissen, Neelie Kroes, Jan Blokker en Bert van Marwijk.

Dat ging altijd goed, maar nadat het besluit was genomen om Máxima de prijs toe te kennen, werd steeds duidelijker dat het hof en de Rijksvoorlichtingsdienst (RVD) niet van plan waren om iets aan het toeval over te laten. De prijs werd gekaapt.

Zo ontving het Machiavellibestuur allerlei regels omtrent het gedrag in de buurt van de koninklijke hoogheden – want, inderdaad, ook Máxima’s echtgenoot, kroonprins Willem-Alexander, prikt vanavond een vorkje mee bij het diner dat traditioneel aan de prijswinnaar wordt aangeboden.

Allerlei dingen mogen niet. Zo moeten telefoons uit. De hele avond, ja, en als dat niet kan, dan moet het desbetreffende bestuurslid maar beter niet komen. En paspoorten moeten mee, hoewel niemand van plan was een grens te overschrijden. Ook hebben sommige bestuursleden ‘bijzondere taken’: zij moeten zorgen dat de koninklijke gasten tijdens de borrel geen moment in hun eentje staan te beschimmelen naast een koud wordend bordje bitterballen.

Dit is allemaal nog folklore. Maar toen wij bestuursleden vorige maand de concepttekst van ons eigen juryrapport ontvingen, werd duidelijk dat de motivering van de prijs een geheel eigen (oranje) draai had gekregen. Bestuursleden mochten, als het écht moest, daarover „telefonisch aan de bel trekken”. Maar, zo schreef voorzitter Marja Wagenaar, het juryrapport was tot stand gekomen „ met betrokkenheid van een aantal bestuursleden (en na overleg met RVD en hof)”. Mogelijk dat deze betrokkenheid heeft geleid tot zinnen als: „Ook mag niet onvermeld blijven dat het Koningshuis [...] ondersteund wordt door een omvangrijk apparaat dat er alles aan doet om de positie van de Troon te bewaken en bestendigen. Rijksvoorlichtingsdienst en hofhouding hebben er meer dan een dagtaak aan om de Koninklijke Familie zo goed mogelijk over het voetlicht te krijgen, in voorziene en onvoorziene omstandigheden.”

Deze kennelijke inmenging door de RVD en het hof was voor mij de reden om mij terug te trekken uit het bestuur van de stichting. Vanochtend ontkende de RVD betrokkenheid bij het rapport. Waarvan akte.

Als los incident is dit niet zo belangrijk. Bovendien: ik had inderdaad eerder „aan de bel kunnen trekken”, zoals ik te horen kreeg. Maar wat dit voorval meer maakt dan een anekdote is niet het optreden van hoffunctionarissen en van de RVD. Zoals het juryrapport al zei: zij behoren tot het „omvangrijke apparaat” dat er alles aan doet „de positie van de Troon te bestendigen en te bewaken”. Het gaat zelfs niet om Máxima en haar echtgenoot. Zij staan hier waarschijnlijk buiten.

Waar het om gaat, is dat Nederlanders – ik maak voor mijzelf geen uitzondering – in de nabijheid van de koninklijke familie last krijgen van ‘koningskramp’: burgers gedragen zich ineens als onderdanen, in de ondergeschikte betekenis van dat woord. Op allerlei wensen van de vorst of prins moet worden geanticipeerd. Dat is niet goed voor het karakter van het koninklijke personage in kwestie. Bovendien krijgt hij of zij een verkeerde indruk van Nederland en de Nederlanders: Ot en Sien in het land van Anton Pieck.

Maar belangrijker is dat al dat geknipmes rond het hof echte macht geeft aan een institutie die niet voor niets in de loop van de negentiende eeuw als Gulliver is ingesnoerd door de regels van de Grondwet.

En niet alleen burgers buigen, ook alle media lijken plotseling alleen op jubeltoon verslag te kunnen doen van het tienjarige huwelijk van het stel (sinds wanneer is tien jaar een belangrijke echtelijke mijlpaal?). Hangt er een abdicatie in de lucht? En moet een troonsbestijging niet juist het moment zijn voor een functioneringsgesprek met de kandidaat? Er wordt niet meer gevraagd naar de koninklijke begroting, niet gespit naar twijfelachtige financiële constructies en de rare villa in Machangulo lijkt vergeten en vergeven. Het paar mag leeglopen bij Linda.

In Nederland is door de functionarissen van het hof en van de RVD keihard gewerkt aan de juiste beeldvorming van de nieuwe koning en diens vrouw. Eerst was Alexander ‘Prins Pils’, die lekker meeschaatste in de Elfstedentocht en die zijn mannetje stond met touwtrekken en koekhappen op Koninginnedag. Tegenwoordig spreekt hij ernstig bij een dam of een ander waterwerk en levert Máxima allure bij de degelijke saaiheid die kleeft aan het koningschap.

Uiterlijkheden zijn belangrijk in een mediacratie, maar straks is Alexander staatshoofd en dan beschikt hij behalve over die gulle lach over aanzienlijke macht. Maar kenmerkend voor de Nederlandse representatieve parlementaire democratie is dat we erin zijn geslaagd die macht onzichtbaar te maken. De koning oefent invloed uit tijdens de formatie, tijdens wekelijks overleg met de minister-president, door het contraseign op alle wetten. Hoe ver dit alles reikt, heet ‘het geheim van de Troon’. En dat is in een moderne samenleving, die alleen bij transparantie kan groeien, een anachronisme. Daaraan moet een eind komen. Stop met buigen. Wees geen onderdaan. Wees burger.

Frank Vermeulen is redacteur van NRC Handelsblad.