Sneller straffen ja, maar liever na vonnis

De bewindslieden op Justitie verkennen de rechtsgrenzen. Kan de rechter al optreden voordat hij vonnist? Alleen als de voorwaarden héél specifiek zijn, denken experts.

Hun woorden klinken strijdvaardig, precies zoals minister Opstelten en zijn staatssecretaris Teeven graag overkomen: „Snel en effectief ingrijpen, herhaling van misdrijven voorkomen en slachtoffers beschermen.”

Als het aan de VVD-bewindslieden op Veiligheid en Justitie ligt, moeten rechters voortaan al tijdens het vooronderzoek beperkende maatregelen kunnen opleggen. Verdachten van relatief lichte delicten moeten straks verplicht zorg of begeleiding kunnen krijgen, en een gebiedsverbod of een verbod op bepaalde activiteiten. En, zo werken de twee bewindsmannen ook vaak, die aankondiging komt aan de vroege kant. De wetgevingsafdeling van hun ministerie moet de precieze maatregelen de komende maanden nog uitwerken.

Juist in die uitwerking liggen de problemen. Juridisch zal het lastig zijn de maatregelen ‘sluitend’ te krijgen, voorspelt hoogleraar strafrecht Theo de Roos van de Universiteit van Tilburg. Opstelten en Teeven, zegt hij, voelen zelf wel aan dat dit soort maatregelen op het randje zijn van wat kan volgens het Europees verdrag voor de rechten van de mens. „Anders zouden ze dat EVRM er niet gelijk zelf bijhalen.”

Tegelijk met de brief aan de Tweede Kamer bracht het ministerie gisteren een internationaal vergelijkend onderzoek naar buiten waaruit blijkt dat maatregelen vóórdat het vonnis is geveld al gebruikelijk zijn, onder meer Duitsland en Noorwegen. Nederland loopt op dit gebied achter, volgens de onderzoekers.

Want op zichzelf kent Nederland ook al voorlopige maatregelen. Zo kan een rijbewijs worden ingenomen bij alcoholgebruik of zware snelheidsovertredingen, en is het mogelijk een bedrijf stil te leggen bij een vermoeden van ernstige milieuvervuiling. Op persoonlijk vlak is voorlopige hechtenis de zwaarste vorm: om een verdachte te mogen opsluiten voordat diens zaak door de rechter is behandeld, moeten vermoedens van schuld bestaan.

Waarom zouden de nu geopperde voorlopige maatregelen dan niet kunnen, volgens de internationale mensenrechten? Omdat, legt hoogleraar De Roos uit, een inbreuk op privacy en persoonlijke levenssfeer wél proportioneel moet zijn. Bovendien moet de maatschappelijke noodzaak vaststaan. „Bij burenruzies en overlast een gebieds- of contactverbod opleggen, dat vind ik nogal wat. Daarvan zie ik niet direct de maatschappelijke noodzaak, en het is een heftig ingrijpen in de persoonlijke levenssfeer.” Zo’n maatregel kan immers betekenen dat een verdachte zijn huis niet in mag, ook als hij zegt dat hij onschuldig is. Dat wordt extra pijnlijk als de rechter de verdachte vervolgens vrijspreekt.

Verplichte zorg en begeleiding opleggen kan ook problemen opleveren. Stel dat de rechter een verdachte van winkeldiefstal naar de reclassering stuurt. Wat kan de reclassering dan doen als de verdachte ontkent? En wat als de verdachte tegen de reclassering wél bekent – kan die informatie nog worden gebruikt in de rechtszaak?

Opstelten en Teeven sluiten met hun plannen aan bij de Europese trend naar sneller en effectiever strafrecht. Het idee is dat hoe sneller een verdachte straf en eventuele begeleiding krijgt, hoe kleiner de kans is dat hij in herhaling vervalt. De behandelingsduur van eenvoudige strafzaken moet nog deze kabinetsperiode dalen naar een maand. Tegelíjk komen de bewindslieden met dit plan. Als verdachten van lichte delicten straks binnen een maand op zitting komen, moet de officier van justitie nog daarvóór, in een aparte zitting, de rechter ervan overtuigen een voorlopige maatregel op te leggen. OM en rechter krijgen het nog druk.

    • Annemarie Kas