Op de keerzijde van de medaille ontsnapt Hugo

Penning van Michiel de Ruyter, 1666. Zilver. Collectie Teylers Museum

Hulde! Verering in de Gouden Eeuw. Teylers Museum, Haarlem. T/m 6/5. Inl: teylersmuseum.nl.

Voorname heren in de renaissance en de barok presenteerden zich graag met een kostbare onderscheiding. In heel Europa komen ze voor: portretten van mannen met om hun hals een kloeke ronde of ovalen penning. De medaillons verwijzen naar de hoge status van de drager, en soms ook naar diens speciale verdiensten op militair, politiek of cultureel gebied. Doorgaans werden de onderscheidingen verleend door de vorst die ook vaak zelf op de penning was geportretteerd. In de zeventiende-eeuwse Nederlanden lagen de zaken net wat anders.

Onder een titel (‘Verering in de Gouden Eeuw’) die weinig verraadt van de inhoud ervan, toont Teylers Museum voor het eerst een uitvoerig overzicht van de verscheidenheid en het gebruik van penningen in de Nederlandse Republiek. Daar was geen soevereine vorst om de scepter te zwaaien. Maar bestuurslichamen als de Staten-Generaal en de VOC kenden wél eerbewijzen toe. Een geschilderd portret van Michiel Adriaensz. de Ruyter toont de zeeheld met op de heup een gouden penning. Die was hem na een belangrijke militaire overwinning toegekend door de admiraliteit van Amsterdam. Naast het schilderij hangt in de expositie, aan de oorspronkelijke, zware gouden ketting, de bijna zeven centimeter hoge munt zelf. Die was in 1661 door de beroemde stempelsnijder Johannes Lutma geslagen met een voorstelling van de Nederlandse Leeuw met twee ankers.

Dergelijke penningen vertegenwoordigden een zeer aanzienlijke geldelijke waarde, alleen al om hun goudgewicht. De Ruyters onderscheiding is dan ook bij wijze van uitzondering bewaard gebleven. Vaak werden penningen na verloop van tijd omgesmolten of gerecycled: de ontvanger verkocht het kleinood dan voor de goudprijs aan de maker ervan, die het vervolgens weer als een nieuw werkstuk aan de opdrachtgevers aanbood. Goedkoper en veel wijder verspreid zijn exemplaren van oplagen in zilver, die speciaal werden geslagen voor verzamelaars. Teylers Museum bezit er een grote verzameling van, afkomstig uit het bezit van de achttiende-eeuwse stichter van het museum, Pieter Teyler.

Terwijl Europese koningen en keizers zich het alleenrecht op de vervaardiging en uitgifte van penningen voorbehielden, konden in de Republiek ook particulieren en penningmakers zelf het initiatief nemen. Dat verklaart de veelheid van onderwerpen in de zeventiende-eeuwse penningkunst in de Nederlanden. Zo werden helden uit het verleden herdacht: de rechtsgeleerde Hugo de Groot bijvoorbeeld, kreeg een zilveren penning met op de ene kant zijn portret en op de andere een voorstelling van de beroemde boekenkist waarin hij uit gevangenschap was ontsnapt. Maar ook werden penningen gemaakt die geboorten, het huwelijken of sterfgevallen in aanzienlijke families herdachten.

Soms werd gekozen voor een thematiek die ver afstaat van de deftige, op antieke voorbeelden gebaseerde traditie van penningkunst. Een zilveren spotpenning op de vrede van Frankrijk met Algiers en het afstaan van de stad Avignon aan de paus, toont de Franse Zonnekoning Lodewijk XIV, in een vernederende hurkende positie. Hij spuugt in een kwispedoor die wordt opgehouden door de Bey van Algiers, terwijl hij door de split van zijn jas poept in een po die de paus vasthoudt.

Soms waren de steken onder water subtieler, zoals op een penning die Christoffel Adolphi in 1668 maakte ter gelegenheid van de Vrede van Breda. De allegorische voorstellingen en vooral de Latijnse opschriften riepen de gevoelige nederlaag in herinnering die de Engelsen een jaar eerder bij Chatham hadden geleden tegen Michiel de Ruyter. Zoals blijkt uit de officiële oorlogsverklaring was een van de redenen voor de Engelse koning Karel II om de Republiek in 1672 opnieuw de oorlog te verklaren, de voorstelling van deze penning.

    • Bram de Klerck