Niet elke piraat is een schurk

Nu wordt de piraat vervloekt, als een plaag van de industrie. Maar de piraterij heeft in het verleden haar nut bewezen.

Lynn Berger

De strijd tegen piraterij staat op scherp. In Amerika staat de Stop Online Piracy Act (SOPA) nu weer even in de koelkast, maar in Nieuw-Zeeland zijn de jongens achter Megaupload opgepakt. In Nederland hebben internetaanbieders Ziggo en Xs4all de toegang tot The Pirate Bay geblokkeerd. En eind deze week komen politici en wetenschappers bijeen voor een internationaal congres in Den Haag om te vergaderen over auteursrecht in deze chaotische internettijden – georganiseerd door het ministerie van Veiligheid en Justitie.

Wie is die gevreesde piraat? Wijzelf. In het Westen doet bijna iedereen mee. Van de hacker die een gekraakte versie van Photoshop online zet, via een keurige burger die een illegale mp3 beluistert tot de bankhanger die een geript seizoen van Mad Men bekijkt. De strijd tegen piraterij is hier de oorlog van de entertainmentindustrie tegen het illegale downloaden. Overheden kiezen meestal partij voor de producenten: wanneer je economie hoofdzakelijk draait op de productie en export van intellectueel eigendom, zoals Hollywoodfilms en Harvardtechnologie, is bestrijding van piraterij een kwestie van nationaal economisch belang.

Maar elders in de wereld heeft piraterij een ander gezicht. In India, Latijns-Amerika en Afrika is het een van de pijlers onder de schaduweconomie waaraan een groot deel van de bevolking deelneemt. Daar dient piraterij ook een maatschappelijk belang.

In het Westen is dat ooit ook zo geweest – zonder illegale boekdrukken waren we de Verlichting misgelopen, was er geen Franse Revolutie geweest en was Amerika nooit de economische grootmacht geworden die het nu is. De illegale downloader van zes seizoenen Grey’s Anatomy is daarmee nog geen erfgenaam van Voltaire, maar de piraat is minder eendimensionaal dan het piraterijdebat van nu suggereert.

Piraterij is een stuk ouder dan het digitale tijdperk, niet alleen in de zeeroversvariant, maar ook in de vorm van copyrightvrijbuiterij. Het fenomeen ontstond tegelijk met de moderne boekdrukkunst, halverwege de vijftiende eeuw. Nog vóór het eind van die eeuw was er in Europa een systeem ontstaan om uitgevers te beschermen tegen ongeautoriseerde uitgaven van hun boeken. Plaatselijke overheden verleenden een drukker het exclusieve recht een bepaald boek uit te geven: in ruil voor dat privilege eisten ze inzage in, en controle over, de inhoud van dat boek.

Het privilegesysteem gaf overheden een handig censuurmiddel, maar de geldigheid van een privilege beperkte zich tot de grenzen van de macht. Een Milanees privilege betekende in Parijs bijvoorbeeld niets en er ontstond al snel een internationaal, deels ondergronds netwerk voor de ongeautoriseerde vertaling, heruitgave en distributie van boeken. Denkers als John Locke en Jacques Rousseau hadden hun internationale faam grotendeels te danken aan deze praktijk, die tegen het eind van de zeventiende eeuw het stempel ‘piraterij’ kreeg opgedrukt.

In de zeventiende en achttiende eeuw was Nederland een belangrijke spil in dat piratennetwerk: Hugenoten die het onderdrukkende regime in Frankrijk waren ontvlucht, vonden in Nederland een veilig heenkomen voor zichzelf en hun boeken. Zo werd het meesterwerk van de Franse filosoof Pierre Bayle, het Dictionnaire Historique et critique, uitgegeven door de Rotterdammer Reinier Leers. De kritische, maar tolerante Bayle geldt als een belangrijke voorloper van het Verlichtingsdenken: „Zonder piraterij geen Verlichting”, stelt Adrian Johns, hoogleraar geschiedenis aan de University of Chicago.

Nu handelden de Nederlandse piratendrukkers niet per se uit naam van de Verlichting: ze waren vooral slimme zakenlieden die een gat in de markt zagen en verschilden in dat opzicht niet eens zoveel van de mannen die je in een donker steegje een illegale dvd proberen te verkopen. Voltaire schetste de Nederlandse drukker onbarmhartig als iemand die niet wist hoe hij moest lezen, maar wel hoe hij miljoenen kon verdienen aan Fransen die konden schrijven. Ordinaire motieven of niet, het resultaat was hetzelfde: volgens Robert Darnton, hoogleraar geschiedenis aan Princeton, was er zonder piraterij nooit een Franse Revolutie geweest.

Ook de Verenigde Staten hebben veel te danken aan hun piraten van weleer. In de negentiende eeuw was het auteursrecht daar alleen op Amerikaanse auteurs van toepassing en konden buitenlandse boeken straffeloos worden herdrukt en heruitgegeven voor een fractie van de originele prijs.

Toen Charles Dickens Amerika in 1842 voor het eerst bezocht, stond piraterij hoog op zijn agenda: de Brit was aan beide kanten van de oceaan populair, maar alleen in Engeland verdiende hij geld. De Amerikaanse respons op Dickens’ pleidooi bestond uit ‘anonieme brieven, aanvallende commentaren in de krant’ en ‘uitspraken dat ik geen gentleman ben, maar slechts een ordinaire schurk’. En geef die Amerikanen eens ongelijk: zonder al die goedkope boeken had Amerika nooit het massale publieke onderwijssysteem uit de grond kunnen stampen dat de basis vormde voor de economische ontwikkeling van het land.

Amerika heeft die positie van ‘opperpiratenstaat’ lang behouden: in 1886 werd in Bern een verdrag gesloten waarin landen auteursrechten onderling erkenden, maar de Verenigde Staten sloten zich daar pas in 1989 bij aan, toen Amerikaanse computer-, entertainment- en farmaciebedrijven sterk afhankelijk waren geworden van de export van producten met intellectueel eigendom. Toen piraterij dus niet meer loonde.

Vroeger was piraterij een manier om censuur te ontwijken en om boeken tegen een lage prijs voor een groot publiek toegankelijk te maken. Ook nu nog vervult het in niet-westerse landen soms die rol: toen Salman Rushdies boek De Duivelsverzen medio jaren tachtig in Pakistan in de ban werd gedaan, suggereerde een woordvoerder van Rushdies uitgeverij bijvoorbeeld dat inwoners van die landen het boek in gepirateerde of gefotokopieerde vorm alsnog konden lezen. De bloeiende IT-sector van India was zonder piraterij onmogelijk geweest: naar schatting is zo’n 65 procent van de software in dat land illegaal, niet omdat Indiërs er niet voor willen betalen, maar omdat ze het simpelweg niet kunnen. Hoewel digitale piraterij een duidelijk economisch probleem is voor de media-industrie in het Westen, creëert het in opkomende economieën als Brazilië, Mexico en Zuid-Afrika juist kansen, zo luidt de conclusie van een onderzoeksrapport dat Columbia University vorig jaar uitbracht. Bovendien vallen tegenwoordig niet alleen boeken en videospelletjes onder de intellectuele eigendomswetgeving. Ook medicijnen, gewassen en genen worden nu beschermd. Zo moeten boeren die genetisch gemodificeerd katoen, mais of soja van de Amerikaanse zaadveredelaar Monsanto verbouwen elk seizoen nieuwe zaden kopen omdat het herplanten van zaadjes uit de vorige oogst – een eeuwenoud agrarisch gebruik – als piraterij geldt.

Wat is nu de ware piraterij? Is de westerse piraat een activistische hacker of een luie consument die niet bereid is te betalen? En ja, de bescherming van intellectueel eigendom stelt kunstenaars in staat om van hun creaties te leven en het stimuleert de wetenschap in het doen van uitvindingen: allemaal dingen waar de maatschappij iets aan heeft. Maar op andere momenten en op andere plekken kan ook de piraat een belangrijke maatschappelijke functie vervullen. Piraterij heeft veel gezichten. De illegale downloader is geen erfgenaam van Voltaire, maar niet elke piraat is automatisch een schurk.