Mijnbouw verwoest Tibet

Vlakbij Lhasa ligt Gyama, de geboorteplaats van een van Tibets grootste vorsten, Songtsän Gampo. In de Chinese cultuur wordt de geboorteplaats van keizers beschouwd als een kostbare fengshui-plek. Dergelijke plaatsen worden over het algemeen zorgvuldig beschermd, maar niet Gyama. Gyama verdient het niet uiteengereten te worden, zoals nu gebeurt.

In het district Medro Gongkar vlakbij Lhasa ligt Gyama, de geboorteplaats van een van Tibets grootste vorsten, Songtsän Gampo. In de Chinese cultuur wordt de geboorteplaats van de keizers uit voorafgaande dynastieën beschouwd als een kostbare fengshui-plek, die ‘drakenader’ wordt genoemd. Dergelijke plaatsen worden, behalve wanneer een dynastie omver werd geworpen en de ‘drakenaderen’ van de voorgaande keizers werden vernietigd, over het algemeen zorgvuldig beschermd, en er wordt op gezette tijden geofferd om bescherming en geluk af te smeken. Analoog daaraan zouden we Gyama, met zijn vele opzienbarende en mooie plekken, de plaats van de drakenaderen van Tibet kunnen noemen, die het niet verdient om uiteen te worden gereten en geleegd, zoals nu gebeurt.

Omdat Gyama, net als de rest van Tibet, rijk is aan delfstoffen (het heeft mineralen als koper, molybdeen, lood, zink, goud en zilver), telt de streek rondom Gyama al jarenlang minimaal zes mijnen met een ongebreidelde productie, die het leefmilieu ter plekke vernietigen en een ramp zijn voor het leven van de plaatselijke bevolking. Sinds 2007 is China’s grootste goudzoeker, de China National Gold Group Corporation, die in staatshanden is, de nieuwe machthebber in Gyama geworden; dit bedrijf heeft in één keer alle kleine mijnen opgeslokt. Vooral de dochtermaatschappij Huatailong Mining Development Limited, gespecialiseerd in mijnbouw, wint elke dag zo’n twaalfduizend ton, waarmee Gyama de grootste ondergrondse mijngroeve is geworden, met de hoogste dagelijkse productie van de hele hoogvlakte van Qinghai en Tibet. Vorige zomer jubelde het Dagblad van Tibet: ‘Een afgerond project van polymetallisch kopererts in Gyama levert 1,1 miljard aan verkoopinkomsten.’

Volgens het artikel heeft het project ‘veertienhonderd banen gecreëerd voor de plaatselijke bevolking’; er wordt gedaan alsof de lokale bevolking enorm profijt trekt van de mijnbouw, maar wat is daar nu eigenlijk van waar? Ik kan daarover een aantal dingen zeggen. Zo zijn door Huatailong Mining meer dan honderd gezinnen van veehouders hun graslanden kwijtgeraakt. De plaatselijke autoriteiten hadden hun gevraagd een verhuizing te accepteren in ruil voor de bouw van grote sociale woningen in nieuwe dorpen en een maandelijkse uitkering. Maar de veehouders zeiden dat dat een doodlopende weg voor hen was, ze wilden het leven met het vee op de grasvlakten niet kwijtraken, omdat er niets anders was dat ze konden doen. Meermalen hebben ze een beroep gedaan op de regionale en districtsautoriteiten, maar er werd geen aandacht aan hen besteed.

Een ander punt is dat Huatailong Mining overdag wel redelijk rustig is, maar dat het terrein ’s nachts helder verlicht is en er explosies klinken, de activiteiten gaan de hele nacht door. De explosies midden in de nacht zijn soms zelfs zo hard dat de plattelandsbewoners uit hun bed vallen en denken dat er een aardbeving plaatsvindt. Ook heeft Huatailong Mining asfaltwegen aangelegd rond Gyama, uiteraard om het transport van het erts te vergemakkelijken. In de voorgaande jaren hadden de plattelandsbewoners vrachtauto’s gekocht om erts te transporteren voor de kleine mijnen, waarmee ze wat geld verdienden. Maar Huatailong Mining heeft hen gedwongen hun auto’s te verkopen; de bewoners zelf werden chauffeurs voor een transportbedrijf, waar ze een maandsalaris krijgen dat veel lager is dan wat ze voorheen zelf verdienden. Het gonst van de onvrede.

En dan zijn er de ernstige gevolgen van de milieuvervuiling door Huatailong Mining: het vee gaat dood en vele plattelandsbewoners zijn ziek, maar de schadevergoeding stelt niets voor. Vorig jaar heeft Huatailong Mining wegens extreme droogte ook nog eens het water van de plattelandsbewoners gebruikt, wat tot de nodige conflicten leidde. Onmiddellijk kwamen er vanuit Lhasa grote aantallen militaire politie, inclusief de mobiele eenheid, die vele dagen met gepantserde auto’s door de straten patrouilleerden en de plaatselijke plattelandsbewoners oppakten – hoewel de ruim tienduizend werknemers die Huatailong Mining in dienst heeft grotendeels Chinezen uit andere regio’s zijn, tegenover een paar duizend lokale bewoners. Nog altijd zitten er drie in de gevangenis in afwachting van hun straf.

De geboorteplaats van Songtsän Gampo zal snel zijn leeggeroofd door de China National Gold Group Corporation. Inmiddels is vrijwel het hele Medro Gongkar-district opgekocht, het districtsbestuur heeft zelfs zijn eigen grond aan het bedrijf verkocht en is zelf naar een andere plek verhuisd. De plaatselijke Tibetanen zeggen dat we de naam van het Medro Gongkar-district net zo goed kunnen veranderen in het Huatailong-district en Gyama in Huatailong. Maar in feite gaat het niet om één district of om één stadje, er zijn mijnen in alle dorpen van het Lhundrup-district bij Lhasa, overal in Ngari in het verre westen, en ook de bergketen Dram tegen de grens met Nepal wordt door de goudzoekers niets ontziend afgegraven, waarschijnlijk beginnen ze binnen niet al te lange tijd ook in Nepal zelf.

In maart 2010 zei Jampa Phuntsok, een van de hoogste ambtenaren van de Tibetaanse Autonome Regio, in Peking tegen de media: ‘Tibet vormt niet alleen een natuurlijke barrière voor de leefomgeving en veiligheid van China, maar het is ook de plaats waar elektriciteit uit het westen naar het oosten wordt getransporteerd, het is een centrum van mijnbouw, kent een rijke biodiversiteit, en het zal een van belangrijkste toeristische bestemmingen van de wereld worden.’ Zijn woorden, het ‘centrum van mijnbouw’, tonen duidelijk aan dat het landschap van Tibet in de toekomst nog verder zal worden verwoest.

    • Tsering Woeser