Opinie

    • Frits Abrahams

Man in folie

In de veertien jaar dat ik in Amsterdam woon, heb ik nog nooit zoveel schaatsers op de grachten gezien. De hele grachtengordel wordt ’s middags één groot wintertafereel van Hendrick Avercamp. Kunnen ze die Elfstedentocht voortaan niet beter naar Amsterdam en omstreken verleggen? Het ijs is er betrouwbaarder en er zijn ook meer hotels en hoeren.

Eén ding staat vast: als de Elfstedentocht zelfs dit jaar niet doorgaat – en daar ziet het steeds meer naar uit – dan zal hij nooit meer doorgaan. Je kunt van God niet vragen dat hij elk slootje in Friesland Zelf dichtlikt.

Niet dat een tocht door en om Amsterdam volledig risicoloos zou zijn. Als zelfbenoemd rayonhoofd Binnenstad maakte ik gisteren te voet een uitgebreide inspectieronde langs de grachten. Hier en daar testte ik behoedzaam het ijs met de punt van mijn schoen.

Alles leek dik genoeg om in orde te zijn, totdat ik de bruggen bereikte. Er lagen grote plassen op het ijs onder de bruggen. Bij sommige bruggen was het ijs daarom met rood-witte linten afgezet: tot daar en niet verder.

Het is interessant om te zien wat zo’n lint met de mens doet: hij wil er doorheen. Achter dat lint ligt misschien een heel andere wereld, een klein paradijs waar alles wit en waar is, een plek om het moede hoofd neer te leggen en misschien wel altijd te blijven. Deze kans komt nooit meer terug, waarom nog langer geaarzeld?

In groepjes van vier, vijf talmden de schaatsers. Ze riepen onverstaanbare kreten naar elkaar. Eén schaatste dicht op het lint, keerde weer terug. Toen kwam uit tegenovergestelde richting een schaatser onder de brug doorgezeild. Hij stak zijn duim omhoog en reed door. Zie je wel, het kon! Binnen enkele minuten waren nu ook de andere schaatsers onder de brug doorgereden.

Dit alles gebeurde op de Prinsengracht ter hoogte van café De II Pilsen, waar ze Venloosch Alt verkopen – in Venlo zijn ze altijd beter geweest in bierdrinken dan in schaatsen. Ik liep door in de richting van de Brouwersgracht. Bij café Papeneiland lag een brug waaronder het ijs níét met linten was afgezet, hoewel ook daar plassen lagen.

Ik liep er wat rond om de kou uit mijn botten te verdrijven, wat niet helemaal lukte, toen plotseling enige beroering bij de brug ontstond. Een groepje mensen had zich om een schaatser verzameld, een jonge, brildragende man. Pas van dichtbij zag ik dat zijn donkere kleding druipnat was. Hij was uiterst zwijgzaam, kennelijk nog onder de indruk van iets dat hem net was overkomen.

Een meisje riep dat hij onder de brug te water was geraakt, tot aan zijn borstbeen toe. Met moeite had hij zich kunnen bevrijden. Inmiddels was een politieauto bij het groepje gestopt. Twee kordate politiedames namen de man onder hun hoede. Zij wikkelden hem van top tot teen in een soort aluminiumfolie – zilverpapier met een goudkleurige binnenkant, waardoor hij een snoepgoedachtig aanzien kreeg. Daarna plantten ze hem op een bankje voor het café en ontdeden hem van zijn schaatsen. Hij mompelde iets over spierpijn voor hij voorzichtig het café werd binnengeleid.

Navraag leerde me dat het foliegeval een ‘reddingsdeken’ heet. Thuis meldde ik trots mijn ontdekking. „Ik ken die dingen wel”, zei mijn vrouw, „de mensen die over het water aan Breivik ontkwamen, werden er ook in gestopt.” Ik kreeg het hinderlijke gevoel dat mij iets werd afgenomen. Waarom weet ik nooit iets en anderen altijd alles?

    • Frits Abrahams