Leve de Chinees

Behalve van Feliks Dzjerzjinski, oprichter van Lenins geheime politie, is Vladimir Poetin een groot bewonderaar van  Joeri Andropov, decennialang  hoofd van de KGB en op het eind van zijn leven secretaris-generaal van de CPSU, als voorganger van Gorbatsjov.

Ook was Andropov in 1956 Sovjet-ambassadeur in Boedapest tijdens de Hongaarse opstand. Als dienaar van de belangen van de Sovjet-Unie speelde hij in die Sovjet-kolonie toen een behoorlijk smerige rol in de onderdrukking van die opstand. Hij is bijvoorbeeld degene die Imre Nagy in een dodelijke valstrik heeft laten lopen, door hem wijs te maken dat de Russische troepen zich na de eerste schermutselingen zouden terugtrekken en de opstandelingen niet langer zouden aanvallen.

Als KGB-directeur vanaf 1967 zou Andropov het beruchte Vijfde Directoraat oprichten, bedoeld voor de onderdrukking van dissidenten, onder meer door hen op te sluiten in kampen en psychiatrische inrichtingen. Maar bij zijn herwaardering in 2002 werd hij vooral als een economisch genie en een jazzliefhebber neergezet, net als Dzerzjinski overigens, wiens leuzen over hervormingen en strijd tegen bureaucratie de muren van het FSB-museum bij mij om de hoek sieren.

Toen ik het Kommersantartikel van Poetin van gisteren las, moest ik aan Andropov denken. Daar waar Poetin het namelijk over hervormingen in de jaren negentig heeft, die dankzij Jeltsin cs de verkeerde kant op zouden zijn gegaan, doelt hij namelijk op de plannen van Andropov om de economie van de Sovjet-Unie te moderniseren.  Andropov wilde dat de Communistische Partij de teugels van de macht strak in handen moest houden en tegelijkertijd een economische liberalisering moest doorvoeren, zoals in China gebeurde.

China is het ideaal van de KGB en dus ook van de huidige machthebbers, die voor het grote deel uit die dienst voortkomen. En Poetin is een groot bewonderaar van de Chinese aanpak: een strenge dictatuur met staatskapitalisme en een oligarchenklasse van regeringsgetrouwe zakenmannen.

Een groot nadeel in Rusland is echter dat anders dan de Chinezen veel gewone Russen, vooral in de provincie,  niet van werken houden, inefficiënt zijn en zich te pletter drinken. Niet voor niets zijn in de oostelijke grensprovincies van Rusland in de landbouw en industrie vrijwel alleen nog Chinezen werkzaam, terwijl een jonge Rus, behalve op het kerkhof, in geen velden of wegen te bekennen is.

 

    • Michel Krielaars