Haagse bluf of Duitse mentaliteit? Onzin!

Robin Haase tennist vanaf vrijdag in Den Bosch om de Davis Cup tegen Finland en volgende week in Rotterdam Ahoy. „Ik wil met alles winnen, ook met bordspel of een spelletje kaarten.”

De vreugde na een mooi punt. De woede-uitbarsting na een onbegrijpelijke fout. Zijn agressieve, risicovolle spel vanaf de baseline. De spectaculaire versnelling met zijn forehand of backhand. 1 meter 90 lang, en toch sierlijk voetenwerk. Zijn felgele shirt en stoere zweetband om zijn hoofd. Zijn donkere bos krullen, soms wapperend in de wind. De gezichtsuitdrukkingen, waaraan je alles afleest. De harde oerkreet na een zwaarbevochten zege.

Een tennispartij van Robin Haase is nooit saai. Hij maakt er een show van. Hij vecht tot het laatste punt. De emotie spuwt uit zijn lichaam. Een zelfverzekerde jongen met bravoure, iemand voor wie je naar de baan komt.

Haase is veruit de beste Nederlander van dit moment (54ste op de wereldranglijst). Hij is een van de weinige lichtpuntjes in het Nederlandse mannentennis. Vrijdag, zaterdag en zondag is hij kopman van het Davis-Cupteam, dat in Den Bosch tegen Finland speelt. Vanaf maandag is hij in Rotterdam Ahoy een van de publiekstrekkers.

Haase heeft twee sterke jaren achter de rug. In 2010 vocht hij zich na anderhalf jaar blessureleed knap terug. Met zijn opmars van de 447ste tot de 65ste plaats op de ranglijst won hij toen de titel ‘ATP Comeback Player of the Year’. Vorig jaar won hij in het Oostenrijkse Kitzbühel zijn eerste toernooi op de ATP-tour. Vorige maand bereikte hij de kwartfinales in Zagreb en verloor hij in de eerste ronde in Sydney en Melbourne. Zijn doel: de top 30.

In Melbourne verloor je kansloos van Andy Roddick. Je had nog nooit zo weinig energie, zei je. Heb je die terug?

„Ja, de volgende dag al. Hoe het kon gebeuren weet ik niet. Te weinig gegeten? Te weinig gedronken? Te kort geslapen? Was het te warm met 35 graden? Denk het niet. Ik kon niet meer. Dat mag niet gebeuren. Het is nu één keer gebeurd, in alle [135 prof]wedstrijden die ik ooit heb gespeeld. Ik heb die wedstrijd allang weer vergeten. Je moet door.”

Je toont vaak je emoties op de baan. Heb je dat nodig?

„Zo ben ik. Heb dat altijd gehad. Als ik een mooi punt sla kan ik daar heel erg veel energie uit halen. Dan laat ik dat zien. Als het publiek daar op reageert, haal ik daar nog meer energie uit.”

Bij slechte punten smijt je soms met je racket of schreeuw je. Is dat niet slecht voor je concentratie?

„Nee. Met mijn racket gooien doe ik vrij weinig. Het gebeurt wel regelmatig dat ik praat en daardoor negatief word. Daardoor ga je natuurlijk niet beter spelen. Ik kan juist beter een keer schreeuwen, vloeken of met mijn racket gooien. Dan is de frustratie eruit. Maar dan moet het ook klaar zijn. En niet vijf of zes punten achter elkaar praten. Ik verlies mijn zelfcontrole niet, ik weet wat ik doe. Maar op dat moment voel ik me zo, en gebeurt er toch iets. Natuurlijk werk ik eraan. Als ik gefrustreerd reageer, komt dat vooral doordat ik niet honderd procent fit ben – en daardoor de verkeerde beslissingen neem.”

Soms lijkt het bij jou of de bom elk moment kan barsten.

„Dat is jouw mening. Ik weet niet wat ik daarop moet antwoorden. Zo vind jij dat, ik heb dat gevoel niet.”

Hoe ben je er in geslaagd proftennisser te worden?

„Ik werk hard. Tennis staat volledig op één, ik laat er alles voor. Als mijn vriendin wil dat ik thuisblijf, bijvoorbeeld omdat ze zich niet zo goed voelt, dan blijf ik niet thuis. Dit is mijn baan, ik moet weg. Ik heb het daar met haar over gehad toen de relatie serieus werd, zij begrijpt dat. In 2010 ben ik maar zes keer wezen stappen. En vorig jaar was het nog minder. Ik ben een allround speler, ik kan op alle baansoorten uit de voeten. Ik kan goed verdedigen, maar kan ook aanvallend spelen. Mijn service is soms ontzettend goed, maar moet nog constanter. En mijn return is sterk. Daarin schuilt mijn kracht: het totaalplaatje is goed.”

Waar haal je de drive vandaan?

„Winnen zit in mijn genen. Ik wil met alles winnen, ook met een bordspel of een spelletje kaarten. Ik snap niet dat je een spelletje puur voor de gezelligheid kan spelen.”

Wanneer dacht je aan profloopbaan?

„Ik heb daar altijd in geloofd, al toen ik tien was. Zonder enige twijfel. Als je op je vijfde van jongens wint die acht zijn. Als je op je achtste wint van jongens die tien zijn. En als je op je elfde niet meer in de leeftijdscategorie tot en met twaalf jaar speelt, maar in de categorie tot en met veertien jaar. Dan is het op een gegeven moment logisch dat je overtuigd raakt beter te zijn dan veel anderen.”

Dat zelfverzekerde is on-Nederlands.

„Daar ben ik het niet mee eens. Er wordt over mij altijd geschreven: Haagse bluf of Duitse mentaliteit. Ik vind dat onzin, de manier waarop ik ben opgevoed heeft mijn karakter gevormd. Dan zou Sven Kramer ook on-Nederlands zijn, en veel voetballers ook. Het is meer het publiek dat het er van maakt. Je krijgt zo’n stempel. Waarom?”

Dennis Schenk is al zeven jaar je coach. Zijn jullie ook vrienden?

„Nee. Ik ga niet naar zijn verjaardag. Het zou niet goed zijn als hij mijn vriend zou zijn. Dat zou betekenen dat hij niet kwaad kan worden op mij, of me niet meer kan aanpakken op bepaalde dingen. Het is goed om die afstand te bewaren.”

Jullie doen bijna alles samen. Eten, reizen, trainen.

„Vaak is het erg gezellig. En natuurlijk hebben we elk jaar wel even een conflict. Dat hij iets zegt wat mij echt niet zint. Dan zeg ik iets wat bij hem niet goed valt. Dan vallen er woorden en spreek je elkaar die dag niet meer. Dat is misschien drie keer gebeurd. De volgende dag spreek je het uit, en is het goed, en ga je verder.”

In 2008 en 2009 was je er zeventien maanden uit vanwege een zware blessure aan je rechterknie. Sponsors haakten af, je had geen inkomsten, en je betaalde je trainer door. Hoe zwaar was die tijd?

„Ik word niet snel verdrietig of gedeprimeerd, maar dat was een hele moeilijke periode, op alle gebieden. Ik heb twee keer gehuild. De eerste keer was toen het de goede kant op leek te gaan, en ik weer dacht te gaan tennissen, tot de knie toch weer opspeelde. En de tweede keer was toen ik voor de tweede keer geopereerd moest worden. Komt het nog wel goed, dacht ik toen. Die onzekerheid was er constant. Tijdens de revalidatie heb ik vier maanden lang elke dag een heftig medicijn geslikt waardoor ik onwijs moe werd. Als ik ging autorijden moest ik soms stoppen bij een tankstation omdat ik anders in slaap zou vallen. Dat realiseren mensen zich niet, ze vergeten wat je er voor over hebt. Ik denk dat veel spelers in dezelfde situatie gestopt zouden zijn, omdat er geen licht meer in de tunnel was.”

Ben je er sterker door geworden?

„Nee. Ik vind het zo’n onzin als mensen zeggen dat je sterker terugkomt. Nu ik dat heb overwonnen, betekent het niet dat ik op 30-30 wel een ace sla.”