De oudste schapenfokkers wilden eerst de hoorns kwijt

De eerste schapenherders fokten hun schapen niet in de eerste plaats om meer wol, vlees of melk te krijgen. Zij wilden vooral die lastige hoorns kwijt. Dat blijkt uit een genetische analyse van 75 schapenrassen die vandaag verscheen in het tijdschrift PLoS Biology.

Schapen zijn, samen met geiten, de eerste dieren die door mens zijn gedomesticeerd. Dat gebeurde ongeveer 11.000 jaar geleden in het huidige Turkije en Iran. Met de eerste boeren verspreidde het schaap zich daarna over de wereld.

De schapengenetici wilden weten welke genetische veranderingen de overgang van wild schaap naar boerderijdier markeren. Ze zochten daarom naar de genvarianten die sporen van menselijke selectie vertonen. In totaal inventariseerden zij bijna 50.000 verschillende genvarianten onder 2.819 dieren.

Eén genvariant steekt er met kop en schouders bovenuit. Alle hoornloze schapenrassen hebben van een bepaald gen de ene variant; gehoornde schapen dragen de andere variant. De variant ligt pal naast een gen waarvan bekend is dat het de hoorngrootte van wilde schapen beïnvloedt. Veel gedomesticeerde schapen zijn hoornloos. De onderzoekers concluderen dat het fokken van hoornloze dieren een belangrijk doel was: dat voorkomt blessures als een dier zich bokkig gedraagt.

Ook in individuele rassen heeft de mens op specifieke genvarianten geselecteerd. Zoals bij de Texelaar, een schapenras dat bekend staat om zijn snelle groei en dikke spieren. Die Nederlandse vleesschapen hebben van een genmutatie die overmatige groei van spierweefsel veroorzaakt.

Het viel de genetici op dat de moderne schapenrassen veel meer genetische variatie bevatten dan rassen van andere gedomesticeerde dieren, zoals honden en koeien. Ook troffen ze meer sporen aan van genetische vermenging tussen de verschillende schappenrassen. Dat is goed te rijmen met historische bronnen. Zo is bekend dat de Romeinen hun Italiaanse wolschapen door heel Europa verspreidden.

De Spaanse Merino staat op een een knooppunt in de Europese schapenstamboom. Het ras was in de late Middeleeuwen vermaard om zijn fijne wol, maar de Spanjaarden stonden de export van Merino’s pas in de achttiende eeuw toe. Duitsers en Fransen kruisten de Merino daarna met andere rassen. Daaruit ontstonden de Saksische Merino en de Rambouillet.