De dood leek even de enige uitweg

Wekelijks kijkt Anke roofovervallers in de ogen. Ze schrijft rechtbankverslagen. Afgelopen zaterdag werd ze in Amsterdam zélf overvallen.

Nederland, Amsterdam, 01-02-2012 Anke, verslaggeefster in de rechtbank en slachtoffer van zinloos geweld PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS Roger Cremers - 2012

Redacteur Justitie

‘In mijn herinnering is het pikdonker. Ik kon de politie nauwelijks vertellen hoe de daders eruit zagen. Ik herinner me vooral de geur van de aarde waar ik op lag – en de angst. Ik bleef maar vragen: ‘Je schiet me toch niet dood?’

„Zaterdagavond had ik bij een vriendin in de Bijlmer gegeten. Ik ben wel vaker teruggefietst vanaf haar huis, maar dat was meestal in de zomer, als het nog licht is om negen uur. Nu was het donker en ik overlegde met haar welke route ik het beste kon nemen. Ik besliste dat ik langs het winkelcentrum Arena zou fietsen. Bij het metrostation en de bioscoop daar is het altijd druk. Ik realiseerde me toen niet dat daarna nog een stiller stuk volgt.

„Eenmaal onderweg koos ik de route langs het trainingsveld van Ajax, omdat dat zo fel verlicht was. Ik werd er ingehaald door een jongen op de fiets. Hij ging langzaam voor me rijden, steeds langzamer. Ik dacht: dit klopt niet. Ik maakte snelheid om hem met veel vaart te kunnen passeren, maar toen ik langszij kwam, gooide hij zijn fiets opzij. Van achter me kwam een tweede jongen uit het niets. We worstelden. Ik werd geslagen, maar waar voelde ik al snel niet meer. Het duurde ontzettend lang voor ik doorhad wat ze van me wilden. Met elkaar spraken ze in een taal die ik niet verstond. Tegen mij zei er één: ‘Bek houden, meekomen.’

„Toen ik het pistool zag, dacht ik: dat is nep. Het was zilverkleurig en had een heel lange loop. Ik probeerde het te pakken, omdat ik zeker wilde weten dát het nep was. Ontzettend stom natuurlijk. Toen voelde ik een enorme klap bij mijn linkeroog. En nog eentje op de achterkant van mijn hoofd, met iets scherps. Ik viel. Een van de twee kwam op me zitten. Ik gilde en gilde. Hij greep me bij de keel, drukte die dicht. En hij hield niet op, ook niet toen ik stil werd. Ik had geen gevoel meer in mijn benen.

„En toen gebeurde er iets wat me achteraf enorm beangstigt. Ik heb het leven lief, ik geniet van elke dag, maar ik gaf me over. Ik wilde weg uit die nachtmerrie, ik was zo overgeleverd aan die twee die op me insloegen dat de dood op dat moment een uitweg leek. Alleen de gedachte aan mijn dochter zorgde ervoor dat ik door wilde. Vooral omdat ik me daar – op de grond met die man bovenop me – realiseerde dat ik de dingen voor haar niet goed geregeld had. Ik ben nooit getrouwd met haar vader, met wie ik niet meer samenwoon. Zou hij wel de voogdij krijgen? Daar dacht ik aan. Ik deed alsof ik slap werd, liet mijn hoofd opzijvallen en toen liet de jongen mijn keel los.

„Ze wilden dat ik meeging, weg van het fietspad. Met een pistool in mijn rug dwongen ze me naar een open plek tussen de bomen te lopen. Daar legden ze me op mijn buik. Een van de twee ging op mijn rug zitten. Ze vroegen naar mijn bankpassen en ik moest mijn pincode geven. Ze zeiden dat ze me dood zouden schieten als die niet klopte. Ik hoopte alleen maar dat er genoeg geld op mijn rekening zou staan om ze tevreden te stellen. De ene jongen ging pinnen, de ander bleef bij mij. Hij vroeg of ik sieraden om had, en of ik thuis nog geld had liggen.

„Toen de andere jongen terugkwam, had hij duizend euro van mijn rekening bij zich. Maar er stond meer op en hij wilde van mij weten waarom ze dat niet konden pinnen. Ik wist het niet. Misschien een dagmaximum? ‘Dan wachten we tot morgen’, zeiden ze. Ik vroeg waar ze al dat geld voor nodig hadden. ‘We willen naar Curaçao.’

„De ene jongen ging nog een keer proberen te pinnen, bij een andere bank. De ander zat nog altijd op mijn rug. Ik kreeg nauwelijks lucht. Ik vroeg hem of hij van me af wilde gaan, en dat deed hij. Toen voelde ik pas hoe koud ik het had. Hij vroeg waarom ik zo trilde. Omdat ik het koud heb, zei ik. Toen wilde hij weten hoe oud ik was en hij leek te schrikken van het antwoord: 49. Vanaf dat moment sprak hij me aan met ‘u’. ‘Waar woont u, waar werkt u?’ Hij heeft mijn sjaal voor me gepakt en ik mocht op mijn tas gaan zitten.

„Instinctief wilde ik contact maken. Ik zei: ik denk dat ik mijn kaak heb gebroken. Hij legde zijn hand op de rechterkant van mijn hoofd: ‘Waar?’ Ik legde zijn hand op de goede plek. Ik dacht niet echt dat ik mijn kaak gebroken had, ik wilde medelijden opwekken.

„Toen de ander terugkwam, bleek de pas door het vele pinnen geblokkeerd. Ik werd banger. Wat ik had opgebouwd, was weg. De jongen die bij me was gebleven, zei weer ‘je’ tegen me. Ze zaten samen te smoezen in die vreemde taal. Het werd heel stil, ik hoorde alleen geritsel achter me. Het was een verschrikkelijk angstig moment. Ik dacht: nu gaan ze me uitschakelen. Maar ze zeiden: ga op je buik liggen en wacht tien minuten. Heel snel waren ze weg en was het doodstil.

„Heel voorzichtig tilde ik mijn hoofd op en langzaam durfde ik overeind te komen. Ik voelde op dat moment geen pijn. Ze hadden mijn fiets keurig neergezet, tegen een stuk hout, maar uit het zicht vanaf het fietspad. Ik stapte op de fiets. Pas toen ik bij de Berlagebrug kwam, waar heel druk en licht was, kwam er een euforisch gevoel over me: ik heb het overleefd.

„Thuis zag ik dat mijn haar roze was van het bloed door een grote wond op mijn achterhoofd. De politie kwam, er werd een ambulance gebeld. Ze namen het heel serieus, merkte ik. Ik hoorde dat er vermoedelijk meer slachtoffers van deze daders waren. Ik schrok toen ik hoorde dat ze een ander slachtoffer bewusteloos hebben geslagen. Er werd naar dna-materiaal gezocht onder mijn nagels. Door de zwelling in mijn arm is nog niet te zien of die gebroken is.

„Dinsdag besteedde Opsporing verzocht aandacht aan de overvallen. Ik heb gekeken. Er zijn duidelijke beelden van de dader die probeert te pinnen. Hij zag er jonger uit dan ik verwachtte en zijn huid was ook lichter dan ik dacht. Hij ziet er gespannen en opgefokt uit als hij pint.

„Het gekke is: ik ben die nacht nog terug geweest met de recherche naar de plek van de overval. Het was er helemaal niet zo donker als ik dacht. Ik zag de gezichten van de agenten goed.

„In mijn werk zie ik heel veel van dit soort daders. Voor juridisch persbureau Argos schrijf ik rechtbankverslagen en ik werk ook voor de Housekrant, een blad dat jonge gedetineerden aanmoedigt iets van hun leven te maken. Als ik in de rechtbank slachtoffers een verklaring hoorde afleggen, verbaasde het me altijd dat de meeste mensen niet boos zijn op de daders. Dat snapte ik nooit. Maar nu mij dit is gebeurd, ben ik ook niet boos op ze. De herinnering aan de angst die ik heb gevoeld, overheerst alle andere emoties.

„Maar ik weet ook, omdat ik zoveel van dit soort daders heb gezien, dat de agressie ergens vandaan komt. Ik weet dat het geen monsters zijn. Dat ze vaak een ellendige jeugd hebben gehad, onder invloed zijn van drugs, een psychische stoornis hebben of verstandelijk beperkt zijn. Daarom hoop ik ook niet dat deze jongens – ik ga ervan uit dat ze gepakt zullen worden – alleen maar een lange celstraf krijgen. In de gevangenis gebeurt er niets met ze, daarna gaan ze gewoon weer verder. En ze zijn nog jong. Het zou nog goed kunnen komen.

„Als hun zaak wordt behandeld, ga ik misschien wel kijken. Dat zal gek zijn, want daar zullen ze dan zitten, verzorgd en met een gestreken blouse, net gewone jongens.”

    • Merel Thie