Bezuinig met mate, koester het herstel

In economische crises ligt protectie op de loer, maar dit keer is daarvan geen sprake, zegt Pascal Lamy, de topman van de Wereldhandelsorganisatie WTO. Om uit de huidige crisis te komen kan Europa volgens hem het beste haar omvangrijke dienstensector opschudden.

Wie vier jaar geleden had voorzien dat de wereld door de zwaarste financiële crisis sinds de jaren dertig zou gaan, gevolgd door de zwaarste economische recessie sinds die tijd, met een eurocrisis daar nog overheen, zou een golf van protectionisme hebben verwacht. Toch vindt die niet of nauwelijks plaats. De zogenoemde Doha-ronde van multilaterale handelsbesprekingen die in 2011 begon zit weliswaar muurvast, maar ook daar zijn lichtpuntjes te ontwaren.

Hoe kan dat? Pascal Lamy, topman van Wereldhandelsorganisatie WTO, was in Nederland om te spreken bij de viering van de veertigste verjaardag van de NCDO, de Nationale Commissie voor internationale samenwerking en Duurzame Ontwikkeling, en maakte tijd vrij voor een vraaggesprek.

De Fransman Lamy is een oudgediende in Europa. Eerder was hij Europees Commissaris voor Internationale Handel, een van de lastigste posten in Brussel. Nu moet hij er voor zorgen dat de handelsstromen blijven vloeien in een wereld waarin opkomende machten steeds assertiever worden, terwijl het Westen zich moeizaam uit de crisis vecht.

Terwijl de wereld zich een paar jaar geleden schrap zette voor verslechtering van de internationale handelsverhoudingen, lijkt het vooralsnog erg mee te vallen. Heeft u daar een verklaring voor?

Pascal Lamy: „Als je op eerdere ervaringen afgaat, dan had een crisis van deze orde van grootte moeten resulteren in een golf van protectionisme, die op haar beurt de crisis erger had gemaakt. Dat is om twee redenen niet gebeurd, nog niet. Ten eerste hebben we kennelijk, gedurende de afgelopen zestig jaar, een discipline opgebouwd die het regeringen beperkt om handelsbarrières op te werpen.

„De tweede reden is dat de handel heel anders in elkaar zit dan in de jaren dertig. Meer dan vijftig procent in de handel in producten gaat om halffabricaten, om componenten. De wereld van de handel is er een van wereldwijde productieketens geworden. Europa handelt voor 65 procent met zichzelf, Azië voor 55 procent, Noord-Amerika meer dan 40 procent, Latijns-Amerika 30 procent. Overal waar deze intraregionale handel zo fors is, zie je die internationale productieketens.

„Als je daar een deel van bent en je importeert componenten, je voegt er zelf waarde aan toe en je voert ze weer uit, dan is het duidelijk dat, als je op je import schiet, je je eigen export beschadigt.”

De lotsverbondenheid is dus te groot om nog over te kunnen gaan tot protectionisme?

„Protectionistische druk blijft er altijd. Er bestaat het idee dat minder import minder werkloosheid betekent. Dat is onzin, maar deze perceptie is er in sommige kringen nog steeds. Dat is jammer, maar misschien zijn we er nog niet goed genoeg in geweest om dit duidelijk te maken.”

Misschien komt dat door de overtuiging dat globalisering en vrijhandel, als deel daarvan, hebben bijgedragen aan de groeiende ongelijkheid binnen westerse landen?

„Het is waar dat globalisering tegelijkertijd de armoede enorm heeft verminderd, maar de ongelijkheid significant heeft vergroot. Overal. Zoals de meeste belangrijke transformaties heeft globalisering het sociale en economische weefsel veranderd, of dat nu in ontwikkelingslanden of ontwikkelde landen is.

„De ongelijkheid is gegroeid, maar niet door de handel. De ongelijkheid is toegenomen doordat het voor sommige landen moeilijk is zich aan te passen aan de technologische veranderingen, Maar de handel is enkel het doorgeefluik van die veranderingen. Wat speelt is de zwakte van nationale stelsels om deze problemen te lijf te gaan met beter onderwijs, met mobiliteit en meer flexibiliteit.”

Waar blijkt dat dan uit?

„In landen met sterke sociale systemen is de ongelijkheid niet zo sterk gegroeid. Toevallig zijn dit ook de landen die geen enkel probleem hebben met vrije handel. Neem de Scandinavische landen, die zijn een goed voorbeeld. Het verschil zit hem in nationaal beleid: innovatie, educatie en het verbeteren van het concurrentievermogen.

„Ik ben nooit een apostel geweest van globalisering als een religie. Ik denk dat het zijn goede en slechte kanten heeft. Maar de vraag of mensen zich gelukkig voelen heeft veel meer te maken met nationaal beleid dan met de vraag hoe de wereldhandel wordt gereguleerd. Zonder die regels zou het internationale speelveld veel minder gelijk zijn dan mét.”

Samen met onder anderen IMF-directeur Christine Lagarde ondertekende u twee weken geleden, aan de vooravond van Davos, een ‘call to action’, een pleidooi om het economisch herstel niet stuk te bezuinigen. Hoe kwam u tot die oproep?

„Deze ‘call to action’ was gericht aan iedereen. We zijn het allemaal inmiddels eens over wat gedaan moet worden om deze crisis achter ons te laten. De oproep was dus: doe het dan ook, alstublieft. We zijn nog niet uit de crisis, dus wees heel voorzichtig met de verhouding tussen begrotingssanering en investeringen in de toekomst. Er is geen bijzondere geleerdheid voor nodig om vast te stellen dat het, als je je schuld moet terugbrengen, pijnlijker wordt als je geen economische groei hebt.”

Hoe zit dan met die verhouding in Europa? Dat legt zichzelf juist vrijwel alleen strikte bezuinigingen op.

„Er is geen kant en klare oplossing voor elk land in Europa. Het is duidelijk dat sommige landen meer begrotingsruimte hebben dan andere, maar deze niet aanwenden als de andere niet doen wat ze zouden moeten doen: het doorvoeren van structurele hervormingen.

„Het probleem met Europa is, helaas, vrij simpel. Het heeft een laag groeipotentieel, een verouderende bevolking en een zeer goed sociaal systeem. Er zijn ruwweg drie oplossingen om uit deze verstrengeling te komen: structurele hervormingen, immigratie of het sociaal vangnet beperken.

„Wat de Europeanen samenbindt is dat zij het sociale systeem willen handhaven. Dat is wat hen specifiek maakt op deze planeet. Als je vanuit de maan naar de aarde zou kijken, dan is Europa het gebied waar het sociale systeem het beste is.”

De Wereldbank publiceerde onlangs een wereldkaart op basis van de omvang van overheidsuitgaven die dat behoorlijk goed weergeeft [Zie kaart linksonder: Overheid is in Europese landen het omvangrijkst.]

„Kijk eens aan. De oplossing ligt dus in een keuze tussen twee maatregelen, of een combinatie van die twee. De eerste is het toestaan van meer immigratie, maar dat is nu precies wat de publieke opinie niet wenst, om het zachtjes te zeggen. De tweede is een hogere economische groei en die is te bereiken door structurele hervormingen.

„Als je het Europese en Amerikaanse concurrentievermogen vergelijkt, dan valt de dienstverlening op. Waarom is Europa niet zo goed? Omdat het in dit opzicht nog steeds geen interne markt is. Amerika heeft die schaalvoordelen wél. Over de hele linie bedraagt de gemiddelde Amerikaanse productiviteitsgroei in diensten 2,5 procent, en is die van Europa maar 1,5 procent. Dat is pijnlijk. Maar die ene procentpunt is bereikbaar.”

Kan de eurocrisis in dat opzicht worden gezien als een welkome crisis?

„Nee. Ik geef er de voorkeur aan dat veranderingen worden bereikt zonder zo veel maatschappelijke schade. En werkloosheid is een voorbeeld van maatschappelijk schade.”

De Doha-ronde, die ruim elf jaar geleden in gang werd gezet, zit vast. Verwacht u nog een doorbraak?

„Nee. Niet dit jaar. Er is nog steeds een kans, maar de onderhandelingen zullen niet worden afgesloten op de manier die oorspronkelijk was verwacht met een alles-of-niets-benadering. We moeten, en dat hebben de handelsministers in december vorig jaar ook afgesproken, naar een bescheidener, meer stapsgewijze oplossing.

„Er is ruimte bij onderwerpen die nu formeel geen deel uitmaken van de ronde. Overheidsaanbestedingen bijvoorbeeld: als China zich bij de bestaande overeenkomsten zou aansluiten, dan gaat dat alleen al over 100 miljard dollar per jaar. Of, ander voorbeeld, eenvoudiger regels voor in- en uitvoer. Dat zou de kosten van de handel terugbrengen van 10 procent van de totale waarde tot 5 procent. Dat geeft een enorm economisch voordeel. Zulke zaken lijken niet zo sexy als bijvoorbeeld het korten van alle tarieven met 3 procent, maar zijn in werkelijkheid beter bereikbaar en belangrijker.”

Maarten Schinkel