Ook na NedCar is er toekomst

Voor de vijftienhonderd werknemers van NedCar is de aankondiging van het Japanse autoconcern Mitsubishi om per 2013 geen Colts en Outlanders meer te produceren in Born gisteren als een donderslag bij heldere hemel gekomen. De bedrijfsleiding van NedCar heeft het personeel dan ook een weekje vrij gegeven om van de klap te bekomen.

Deze reactie is psychologisch begrijpelijk. Hoe dichter bij huis, hoe moeilijker het vaak is om naderend onheil met een nuchtere blik te voorzien. Maar voor wie wat meer op afstand staat, is de beslissing van Mitsubishi niet veel meer dan de climax in een jaren lopende kroniek van een aangekondigde ondergang.

De autofabriek in Zuid-Limburg, die ooit met staatssteun is geopend omdat het kabinet-Cals/Vondeling (1965-66) de sluiting van de mijnen wilde compenseren, worstelt al decennia tegen de ondergang. Eigenlijk is het eerder een wonder dat NedCar tot nu toe respijt heeft gekregen. In 2006 leken de perspectieven voor de autoindustrie al nagenoeg uitgeput. Sinds 2006 is de werkgelegenheid er gehalveerd.

Dat heeft niet te maken met de bedrijfsleiding of zo maar met de onderliggende macro-economische structuur. NedCar is te klein en dus niet opgewassen tegen de schaalvergroting in de autobranche. Wat Mitsubishi nu doet, deed General Motors eerder in Europa. Bovendien is er een recessie die noopt tot ingrijpen.

Het lot van NedCar in Born is daarom niet te vergelijken met dat van het farmaceutische bedrijf Organon in Oss. Een auto-industrie, die kant en klare voertuigen van de band laat lopen, is in Nederland een sector uit een toch al niet zo rijk verleden. Biotechnologie heeft juist toekomst.

De vraag is wel of de bestuurlijke autoriteiten in provincie en Rijk langs deze lijnen hebben geanticipeerd. De reacties van Limburg en het ministerie van Economische Zaken wekten gisteren niet de indruk dat er een alternatief draaiboek klaarligt voor Limburg dat toch al kampt met een krimpende bevolking en werkgelegenheid. Hopen op een doorstart van NedCar onder leiding van een andere autofabrikant is naïef.

De varkenscyclus moet zijn beloop hebben. Van overheidsteun kan geen sprake zijn, omdat het van Brussel niet mag en omdat het geen zin heeft. Maar Limburg is geen geïsoleerde en achtergestelde provincie maar onderdeel van een grensoverschrijdende regio die zich uitstrekt van Keulen tot Eindhoven en van Düsseldorf tot Maastricht of Genk.

Met petrochemie (DSM en Sabic), transport (‘droge’ haven van Venlo) en dienstverlening heeft Limburg grote bedrijven die toekomst hebben. En dat biedt allerhande perspectieven voor de toeleverende middenstand. Grootschalige industrie is een mooi uithangbord. Maar Limburg heeft nu vooral behoefte aan middenstand. De traditie van de Mittelstand in het naburige Duitsland strekt de provincie tot voorbeeld.