Ooit Van Doorne's Automobielfabriek (DAF)

In Born begonnen de broers Van Doorne na de oorlog Daf- auto’s te maken. Hub en Wim van Doorne waren iconen van de Nederlandse industrie. Maar niet alleen hun erfgoed ging verloren.

De straatnaam verraadt het iconische verleden. Dafjes in zwart-wit. De naoorlogse wederopbouw. Industriële kracht. Dit is de dr Hub van Doorneweg in Born. Samen met zijn broer Wim maakte Hub van Doorne van hun werkplaats na de Tweede Wereldoorlog een heuse industrie: Van Doorne’s Automobielfabriek, kortweg DAF.

Aan deze weg staat NedCar. Maar NedCar gaat dicht.

DAF maakte auto’s en vrachtwagens, maar ook speciale producties voor het Nederlandse leger. DAF bloeide in de jaren vijftig en zestig, toen de Nederlandse industrie alles nog zelf deed: schepen bouwen (Verolme; De Schelde) en vliegtuigen (Fokker) en treinstellen (Werkspoor) en ja, ook auto’s, niet alleen bij DAF (Einhoven en Born), maar ook bij Ford in Amsterdam.

In de jaren zeventig zakte de economie in. De concurrentie uit het Verre Oosten gooide de wereldmarkt door elkaar. De kaalslag kwam, de industriële afbraak begon.

Werknemers en vakbonden reageerden met bedrijfsbezettingen (Enka Breda) en met betogingen.

Het ministerie van Economische Zaken reageerde met grootscheepse steun voor de industriële bedrijven, culminerend in een industriepolitiek. Zo werd vanuit Den Haag het industriële conglomeraat RSV in elkaar gesleuteld.

De staatssteun moest banen redden. Maar de steun vertraagde vooral de grote verschuivingen van industriële productie in de jaren zeventig en tachtig naar landen met een grotere thuismarkt. Naar landen met een actievere overheid die meer kapitaal beschikbaar wilde stellen of grotere eigen opdrachten had te vergeven. En naar landen als Japan en Korea, die lagere lonen betaalden.

Het fiasco van de industriepolitiek werd genadeloos ontmaskerd tijdens de parlementaire RSV-enquête in de jaren tachtig. Sindsdien is industriepolitiek een besmet woord. Synoniem met geldverspilling. Vergeten werd dat Nederland kort na de oorlog ook heel succesvol industriepolitiek had bedreven, zoals met een investering in de Hoogovens staalfabrieken in IJmuiden.

Na RSV verdween de industriepolitiek uit Den Haag. Al waren er wel sporadisch opportunistische uitzonderingen, zoals de deelname aan de redding van de vrachtwagens van DAF (later verkocht aan de Amerikaanse concurrent Paccar) en een fiscale truc om Philips te steunen.

Maar industriepolitiek laat zich niet doven. Steun bleef taboe, ook al omdat de Europese Commissie in Brussel strenger controleerde. De nieuwe industriepolitiek moest meer vanuit de bedrijven zelf komen. De overheid zette wat grote lijnen uit en definieerde ‘pieken’ of ‘speerpunten’ en stelde geld in het vooruitzicht, bijvoorbeeld uit de opbrengst van de aardgasbaten. Maar politici en ambtenaren kenden sinds RSV hun plaats: de markt ruim baan.

Tegen de sluiting van de onderzoeksafdeling van farmaproducent Organon in Oss bleken politici niet opgewassen. En elke keer als NedCar moest inkrimpen, debatteerde de Tweede Kamer. Zes jaar geleden riep toenmalig CDA-fractievoorzitter Maxime Verhagen in zo’n debat de minister van Economische Zaken op om alles te doen voor een „concreet en solide investeringsplan” voor NedCar. Alles, behalve een directe financiële participatie. Blijvende inzet van het kabinet is essentieel, zei Verhagen. Hij vroeg om de inzet van kapitaal uit het aardgasbatenfonds.

Als minister van Economische Zaken en Innovatie moet Verhagen het nu verder zelf opknappen. Maar zonder het aardgasbatenfonds, dat dit kabinet heeft ontmanteld.

    • Menno Tamminga