Namiddag met mijn oude blueszanger

Fietsen langs katoenvelden in de bloedhete Mississippi Delta. Een zoektocht naar het archetype van de blues: Mississippi John Hurt.

Leendert van der Valk

De zon kan deze ochtend nog zo mooi op de veranda vallen, ik voel me behoorlijk ongemakkelijk in dit huisje van planken. Deze shotgun shack staat hier als cultureel erfgoed, maar je kunt het ook uitbuiting van een bruut verleden noemen. Het is een huis dat op een plantage stond, een onderkomen van sharecroppers, semi-slaven. Nu is het hier opnieuw opgebouwd en te huur voor 65 dollar per nacht. Met koelkast, airco en stromend water. Het voelt koloniaal.

De hutjes staan aan de rand van een katoenveld bij Greenwood, Mississippi. Vandaag gaat onze fietstocht dieper de bloedhete Mississippi Delta in, over de geboortegrond van de bluesmuziek. Dat is bloederige grond.

Na drie kilometer passeren we het plaatsje Money waar in 1955 Emmett Till werd vermoord. Het was één van de meest geruchtmakende lynchpartijen uit het Diepe Zuiden, en er waren nogal wat lynchpartijen. De veertienjarige Till werd vermoord omdat hij avances naar een blanke vrouw had gemaakt.

Als de blanke mannen hier destijds ergens bang voor waren, dan was het wel dat ‘hun niggers’ met ‘hun vrouwen’ mengden. Zelf vergrepen ze zich geregeld aan een negerinnetje, maar andersom was niet de bedoeling. Twee mannen sloegen Till eerst in elkaar, staken hem een oog uit, schoten hem vervolgens neer, bonden een gewicht van 30 kilo met prikkeldraad om zijn nek en gooiden hem in de Tallahatchie River. De daders werden vrijgesproken, ondanks aangetoonde schuld.

Niet dat je hier ook maar iets te horen krijgt over deze geschiedenis. De toerist komt hier om zorgeloos van het warme zuiden te genieten op de porch van een authentieke slavenhut.

Ik kan daar moreel heel verontwaardigd over doen, maar had me in Nederland gevraagd wat ik me voorstelde bij de Delta en ik had precies deze omgeving geschetst: een houten huis met veranda, een beetje in verval, een katoenveld en een rivier op de achtergrond. Parallel aan de weg gaan kilometers elektriciteitsdraad van paal tot paal de hele Delta door.

Als ik alle schroom had laten varen, had ik gezegd dat er een zwarte man op de veranda moet zitten. Een gerimpelde man met een gitaar. Met zijn donkerhese stem zou hij liedjes zingen. Soms gebruikt hij een zakmes of een flessenhals als slide op de snaren. Dat zou de hoofdprijs zijn van deze zoektocht: een namiddag met mijn gerimpelde blueszanger. Wie is hier nou koloniaal?

Mijn bluesarchetype heeft ook een naam: Mississippi John Hurt. We fietsen door naar Avalon, het dorp waar Hurt zijn hele leven bijna onafgebroken woonde tot aan zijn dood in 1966. Zijn eerste opnames stammen uit 1928. Meer dan tachtig jaar oud, nog steeds geweldige muziek. Toen al was zijn stijl ouderwets. Dat krijg je als je aan de rand van de Delta woont. Hij zong eigenlijk geen echte blues, maar spirituals, murder ballads en work songs.

Deze ochtend hangt er een dreigende lucht boven de Delta. Vanuit het westen komt een onweersbui naar ons toe gerold.

We waren er bijna voorbijgereden. Avalon bestaat uit zes huizen. Er is niemand te bekennen. Er scharrelen wat kippen rond. Langs de highway staat een informatiebord voor de enkele bluestoerist die hier op bedevaart langskomt. Verder niets.

Na de opnamesessie van 1928 speelde Hurt nog in en rond dit dorpje, maar hij verdween al snel van de radar. Maar toen er in New York en in Engeland eind jaren vijftig een blues- en folkrevival opkwam, trokken bluesfans de Delta in, op zoek naar de zangers van voor de oorlog. Aan de hand van het liedje Avalon Blues wist zo’n bluesstudent Mississippi John Hurt op te sporen. Hij had al die jaren in zijn dorp gewoond als arbeider.

Het leek onwaarschijnlijk dat hij na decennia van zware handarbeid nog zo kon spelen als in 1928. Maar zijn tokkeltechniek bleek nog even verfijnd. Zijn stem was dieper geworden, maar had nog dezelfde onbekommerdheid. Alleen de ondeugende seksuele toespelingen uit zijn jonge jaren liet hij nu graag door het meezingende publiek invullen.

Het moet een schok voor Hurt zijn geweest. Nooit had een blanke een stuiver voor hem gegeven en plotseling stond hij voor volle zalen en festivalvelden. Hij werd de lieveling van de college crowd. Terwijl in Mississippi zwarten nog altijd de kans liepen om bij de geringste provocatie gelyncht te worden, waren er in New York opeens mensen die blues wilden horen, zo oud en authentiek mogelijk. En Hurt was beide.

Hurts graf moet hier nog ergens te vinden zijn. We hebben alleen geen flauw benul waar. We slaan de weg in die naar de heuvels leidt. Hier begint hill country, waar de tijd nog stiller staat dan in de Delta. De verharde weg houdt op. We moeten het iemand vragen, maar wie? De zeldzame automobilist die passeert, reageert niet op ons liftgebaar. Maar uiteindelijk stopt er een pick-up.

„Hebben jullie pech?”

„Nou, we zoeken het graf van Mississippi John Hurt, de bluesartiest.”

„Right. Dat ligt in de heuvels. Je moet hier omhoog en dan links.”

„Is die weg verhard?”

„Nee, het is modder.”

We kijken zo beteuterd mogelijk naar onze fietsen en naar de regenwolken boven ons.

„Gooi maar achterin. Ik ben de buurman van de begraafplaats. Mijn naam is Charles.”

Charles rijdt ons de heuvel op, over onmogelijke modderpaadjes. Hij is hier een paar jaar geleden komen wonen, hij wilde een eigen stuk bos. Van John Hurt had hij toen nog nooit gehoord. Later heeft hij een paar liedjes geluisterd, maar het kan hem niet bekoren. „Ik geef niet zo veel om muziek. Maar het is een mooie begraafplaats. Als je het niet weet, rijd je er zo voorbij.”

We passeren het huis van Charles, kort daarna trapt hij op de rem. „Aan deze kant van de weg is het van mij, aan de andere kant is het graf dat je zoekt.”

We zien alleen maar bomen. Er staat geen kerkje, geen kapelletje of ook maar een bordje om het aan te geven. De eerste druppels vallen. „Je moet honderd meter doorlopen en dan vind je het. Als je klaar bent, loop je maar terug naar mijn huis.” Hij rijdt weg met onze fietsen in de laadbak.

De druppels zijn dik, maar de bui neemt een luie aanloop. De kikkers springen voor onze voeten weg en dan verschijnen er ongeveer twintig graven tussen de bladeren. Een verzameling scheefgezakte stenen. Eén graf is afgeperkt met houten latjes. Geloof het of niet, er valt een zonnestraal op.

John S Hurt

Born Mar 8 1892

Died Nov 2 1966

Meer staat er niet. Er liggen plastic bloemen bij, er komen hier niet genoeg mensen voor verse. We horen getsjilp, gekwaak, gezoem. En geroffel op het bladerdak. Ik hurk neer bij het graf van Mississippi John Hurt. Eigenlijk geef ik niet om graven. Ik heb niets te zeggen, niets achter te laten. Thank you, Mr. Hurt. Thanks for your songs. Meer heb ik niet. Maar ik zou hier nog uren willen blijven. Dit is een prachtige plek om te liggen.

Als we vanaf de heuvel over de platte Delta kijken, zien we de gitzwarte lucht, het geroffel boven ons zwelt aan. We moeten terug.

Charles houdt van de heuvels. „Niemand stoort je.” Af en toe schiet hij een hert en soms, vertelt hij, gaat hij naar het graf van John Hurt om naar de eekhoorntjes te kijken. „Het is het beste plekje. Ik heb lange gesprekken gehad met hem. Waarover? Van alles. Het leven.”

Hij stelt ons voor aan zijn vrouw. Ze ziet er slecht uit. Ze heeft kanker, het zal niet lang meer duren. Het grasveld tegenover de begraafplaats heeft Charles op haar verzoek laten vrijmaken. „Ze wil daar begraven worden. Eerst dacht ik, moet dat nou, maar ze heeft gelijk, het is een prachtige plek om te liggen.”

Dit is een bewerkt hoofdstuk uit Duivelsmuziek, op de fiets van Memphis naar New Orleans van Leendert van der Valk en Winnifred Wijnker (Uitgeverij L.J. Veen). Duivelsmuziek werd door de Nederlandse Reisboekhandels verkozen tot Beste Reisverhaal van 2011.

    • Leendert van der Valk