Mijn dochter is een niet-mens

Ik heb een diep zwakzinnige, autistische dochter. Ik ben haar moeder, dat wil zeggen: ik ben haar biologische moeder, ik heb haar gebaard. Maar haar mens-moeder ben ik nooit geworden. Zij heeft mij nooit als moeder aangeroepen, zij is nooit ‘naar mij toegekomen’, zij heeft mij nooit mamma genoemd. Ze zegt mah-mah-mah, dat wel, maar dat zegt ze tegen alles en iedereen. Ze zegt geen mamma. Haar mah-mah is eerder een ontkenning dan een bevestiging van het moederschap.

Door mijn dochter werd ik geconfronteerd met de vraag: wat is menselijk leven, wat is een mens? Volgens de een is er sprake van menselijk leven vlak na de conceptie, volgens de ander pas na 12, 16 of 20 weken zwangerschap. Volgens weer anderen begint menselijk leven pas wanneer een kind buiten de baarmoeder levensvatbaar is.

Eén ding is duidelijk, het wezen dat door mensen wordt voortgebracht, dat genetisch menselijk materiaal bevat, noemen we ‘menselijk leven’, ongeacht hoe dat leven er uitziet, ongeacht de lichamelijke of geestelijke (on)vermogens.

Maar is genetisch materiaal dan het enige wat een mens tot mens maakt, dat mensen van dieren onderscheidt? Of is er meer?

De overeenkomsten zijn duidelijk. Mens en dier hebben beide behoefte aan eten, drinken en slapen. Ze hebben, tot instandhouding van de soort, beide behoefte aan seks. Zij hebben beide behoefte aan beschutting en veiligheid. Ze hebben beide een lichamelijke dimensie.

Voor mijn dochter houden hier de onderste twee lagen van de piramide van Maslov op. Uit niets kan ik opmaken dat ze behoefte heeft aan sociaal contact, aan gezelligheid of vriendschap, aan erkenning of waardering, laat staan aan zelfontplooiing.

Wat een mens tot mens maakt, is zijn geestelijke surplus, zijn vermogen tot symboliseren en abstraheren, zijn vermogen zich in taal uit te drukken en met anderen te communiceren, zijn vermogen instinctmatige behoeften uit te stellen en niet onmiddellijk naar bevrediging te zoeken. De mens is bovendien een moreel wezen: hij kan kiezen tussen goed en kwaad.

Heel concreet: een mens kan praten (desnoods in gebarentaal), kan leren, luisteren, kan nadenken over zijn doen en laten, een mens kan lachen, een mens kan huilen.

Dit alles kan mijn dochter niet. Ze stoot klanken uit, dat wel, maar ze hebben geen betekenis. Ze kan horen, ze is niet doof, en soms interpreteren we het als luisteren. Maar zoals de hond van Pavlov reageerde op het geluid van de etensbak, zo is ook zij geconditioneerd op bepaalde geluiden. Als de tafel wordt gedekt, gaat ze zitten. Maar luisteren? Nee, ik kan haar niets uitleggen. We interpreteren haar signalen zoals het ons uitkomt. Of dat klopt, blijft een gok. We doen het omdat we dat zelf graag willen. Omdat het onverteerbaar is dat er met haar niet te communiceren valt.

Voor mijn dochter is de wereld als een ongeordende chaos. Soms lacht ze, als er niets te lachen valt. Toen ze ooit haar handen brandde aan een gloeiend hete pan begon ze te lachen. Ik dacht dat het dus wel meeviel, totdat ik de blaren op haar vingers zag. Ze kan plotseling in woede uitbarsten, althans zo lijkt het. Dan is niets in haar omgeving meer veilig, ook mensen niet. De reden voor haar boosheid is niet te vinden. Ze kan ineens schrikken, althans zo lijkt het, van een stofje in een zonnestraal. Maar ik kan haar niet uitleggen dat ze daarvoor niet bang hoeft te zijn. Bij haar loopt alles door elkaar. Het is zoals ‘In den beginne…’ – de chaos van vóórdat de Schepper daarin ordening aanbracht: tohoe-wabohoe.

Mijn zwakzinnige dochter is geen moreel wezen – je kunt haar niet leren wat mag en wat niet mag, hoe het hoort, of hoe het niet hoort. Ze kent geen gêne. Als ze de kans krijgt, masturbeert ze waar anderen bij zijn. Ze eist onmiddellijke behoeftebevrediging. Als ze geen honger meer heeft, moet je snel ingrijpen anders smijt ze haar bord op de grond.

Wij moeten haar een menselijk wezen noemen, omdat zij uit mensen is geboren. Maar is zij ook een mens? Jarenlang ben ik op zoek geweest naar het menselijke in haar, maar ik heb het niet kunnen vinden. Zij is een menselijk wezen, meer niet. Is zij dan een onmens? Nee, zo zou ik haar niet willen noemen. Zij is een niet-mens – de ontkenning van het mens zijn.

Het was pijnlijk dit te moeten erkennen. Maar de waarheid onder ogen zien, was uiteindelijk te verkiezen boven de pijn van jaren en jaren, en tegen beter weten in op zoek te moeten blijven naar iets wat er niet was: de mens in dit door mensen voortgebrachte leven.

    • Mariet van Zanten-Van Hattum