‘Ik voelde me een slaaf’

Fred Beekers, CDA-lid, stond aan de wieg van Artsen zonder Grenzen. Nu heeft hij Resto VanHarte opgezet, waar buurtbewoners met elkaar eten. „Het CDA werkt meer de sociale afbraak dan de sociale cohesie in de hand.”

Fred Beekers, midden, in de keuken van ‘Resto VanHarte’ in Tilburg-Noord. Foto Anaïs Lopez

Hij herkent eenzaamheid bij anderen, zegt hij. Hij ruikt het. Laatst, in een Grieks restaurant, zat een man alleen in een hoekje te eten. Die voelde zich niet welkom, dat zag hij. Dus toen hij langs de man naar de wc liep, klopte hij hem op de schouder en zei: ‘Goed dat je er bent, hoor!’

Eenzaamheid raakt hem. Hij heeft als medegrondlegger van Artsen zonder Grenzen jarenlang in oorlogsgebieden gewerkt, in voormalig Joegoslavië, in Irak. Hij heeft de afgrijselijke gevolgen van geweld gezien, maar bij het vertellen van dit kleine voorval over de man in het Griekse restaurant schiet hij vol.

Fred Beekers (61) is een hartelijke Brabander, een levendige, makkelijke prater. Niet iemand die getraumatiseerd door het leven gaat, zou je denken. Toch is dat in zekere zin zo. We spreken elkaar in het buurthuis van een flatwijk in Tilburg-Noord. Etensgeuren komen ons tegemoet: straks wordt er een maaltijd opgediend voor buurtbewoners. Onder de noemer ‘Resto VanHarte’ zijn er dertig van zulke ‘restaurants’ in Nederland. Hier kunnen mensen een paar keer per week voor een klein bedrag samen met anderen eten. Geregeld ook laten de wijkagent of de opbouwwerker hun neus zien; samen met instanties betrekken de resto’s bewoners bij hun buurt. Het zijn tenslotte ontmoetingsplaatsen.

Vrijwilligers runnen grotendeels de keuken. Onder hen bevinden zich veel allochtonen, maar ook young professionals uit het bedrijfsleven. Fred Beekers richtte ‘Resto VanHarte’ in 2005 op, met als doel de bevordering van de sociale samenhang in de steden.

Hoe is het zo gekomen?

„In 1998 kwam ik na vijftien jaar terug in Nederland. Ik werd fractiemedewerker voor het CDA in de Tweede Kamer en ging als vrijwilliger werken voor de Boodschappen Begeleidingsdienst in Den Haag, een organisatie die alleenstaande ouderen en minder validen uit hun isolement wil halen. Toen kwam ik dus bij mensen thuis, in de achterstandswijken Laak en Escamp, en daar zag ik de kansloosheid, de eenzaamheid. In de straten bekroop me een unheimisch gevoel, een gebrek aan perspectief dat me deed denken aan oorlogen. Er is geen contact, iedereen duikt weg achter zijn voordeur. Daar moest ik iets mee, vond ik.”

Er is veel ellende in achterstandswijken. Waarom trof u juist de eenzaamheid, minder dan bijvoorbeeld armoede of discriminatie?

„Blijkbaar heb ik zelf de nodige eenzaamheid gekend. Ik vind het niet leuk om dat te zeggen, maar het is wel zo. Mijn jeugd was somber. Ook al woonden we in Brabant, in Eindhoven, mijn vader was streng katholiek. Carnaval vierden wij niet. Meisjes zoenen mocht niet. Het was hard werken, bidden en biechten. Niet te filmen, zo saai. Ik kreeg weinig liefde van mijn ouders, ze waren vooral geïnteresseerd in mijn schoolprestaties, alles was gericht op later in de maatschappij functioneren. Om mij in het gareel te houden sloeg mijn vader me. Als ik met een slecht cijfer thuiskwam, pakte hij een stuk hout en beukte erop los. Hij mepte waar hij me maar raken kon.”

Wat heeft u overgehouden aan die kille, harde opvoeding?

„Veel onrust, twijfel, met name toen ik jong was. Mijn eigen ik was kapotgeslagen. Dat uitte zich in concentratieproblemen, en in liefdesrelaties die steeds misliepen omdat ik geen binding kon aangaan. Pas op mijn 29ste begon ik geleidelijk mezelf te ontdekken. Ik had een studie rechten afgerond en was begonnen aan mijn proefschrift. Daarna zou ik bij een bank of een multinational gaan werken, zoals mijn vader voor ogen had. Terwijl ik dat helemaal niet wilde. Ik woonde aan de Stadionkade in Amsterdam, tegenover de Rietveldacademie. Ik was zo gruwelijk jaloers op de studenten die daar in- en uitliepen, met hun grote zwarte tekenmappen. Zij stonden voor alles wat ik miste: vrijheid, creativiteit. Ik voelde me een slaaf.”

Het lukte u niet om los te breken?

„Nee, ik zat geestelijk nog altijd onder de knoet. Tot ik op tv een keer de Duitse theologe Dorothee Sölle zag. Ze had het over ‘levensinvulling’. Wat was mijn levensinvulling eigenlijk? Ik dacht aan mijn proefschrift, dat me status zou geven, en waar ik op het titelblad zou zetten: ‘Aan mijn vader’. Goedemorgen! Ineens besefte ik dat ik altijd alleen maar gedaan had wat mijn vader wilde. Zelf bestond ik niet, ik had geen ‘ik’. Dat gaf een intens eenzaam gevoel. Ik ben gestopt met dat proefschrift, en ben allerlei dingen gaan doen die ik leuk vond, zoals werken als manusje-van-alles bij een toneelgroep. Ik kon eindelijk mijn eigen accu gaan opladen.”

En toen kwam het allemaal goed?

„Nou, er is nog wel wat werk te verrichten. Op het gebied van de liefde ben ik niet sterk. Zachtheid uit ik makkelijker in een sociaal doel dan in relaties. Ik blijf vrij afstandelijk in mijn privéleven. Maar ik probeer daar wat aan te doen.”

U komt helemaal niet afstandelijk over.

„Dat komt omdat dit een zakelijk gesprek is. Ik kan me helemaal geven aan een Artsen zonder Grenzen of een Resto VanHarte. In de liefde vind ik dat moeilijk.”

U wordt aangetrokken door geweld, heeft u weleens gezegd, en dat is terug te voeren op uw vader.

„Ja, ik denk dat ik geweldssituaties ben gaan opzoeken door dat slaan. Dat had me beschadigd, en om het te kunnen verwerken wilde ik het telkens opnieuw beleven, zoiets. Die dreiging voelen. Het zit nog altijd in mij, ik raak nog steeds gefascineerd door oorlogsbeelden.”

Heeft die herbeleving van dreiging geholpen voor de verwerking?

„Nee, natuurlijk niet. Het is dwangmatig, iets waarin je blijft hangen. Na een angstige ervaring in Koeweit had ik een aantal gesprekken met een traumapsycholoog, en die legde het patroon uit. Ik realiseerde me toen dat ik als gevolg van mijn opvoeding verslaafd was aan geweldssituaties. Ik was een ‘emergency junk’. Toen ik dat besefte, ben ik gestopt bij Artsen zonder Grenzen.”

Terug naar Resto VanHarte. Op het laatste CDA-congres heeft u een prijs gekregen voor uw sociale initiatieven. U had daar gemengde gevoelens over.

„Ik kreeg er een ongemakkelijk gevoel bij, ja. Het had iets van een schaamlapje. Het CDA is in dit kabinet eerder met sociale afbraak dan met sociale cohesie bezig, waar wij ons met Resto VanHarte sterk voor maken. Het CDA heeft nauwelijks benul van wat zich in de steden afspeelt.”

Waarom blijft u lid van een partij die nu kennelijk zo ver van u afstaat?

„Omdat ik het belangrijk vind dat de linkervleugel van het CDA blijft bestaan. Bij de achterban, de gewone leden, zit dat sociaal voelende wel degelijk. Als fractiemedewerker had ik veel contact met CDA’ers in het land: hardwerkende, eerlijke mensen, de ruggengraat van Nederland. Mensen met wie je een land kunt opbouwen. Om hen blijf ik lid van het CDA.”