Hoe harder we straffen hoe beter, toch?

De laatste tien jaar zijn Nederlandse rechters steeds ‘populistischer’ gaan straffen. Maar dat maakt Nederland niet veiliger.

Politierechter Peter D’Hondt uit Dendermonde heeft aan een wegpiraat uit Oost-Vlaanderen een opmerkelijke straf uitgedeeld. Naast het betalen van een boete van 2.750 euro, het volgen van een cursus over verkeersagressie en het werken in een revalidatiecentrum voor verkeersslachtoffers is de man ook veroordeeld tot het lezen van het boek Tonio: een requiem voor de in het verkeer omgekomen zoon van de schrijver A.F.Th. van der Heijden. Dat laatste lijkt een wat merkwaardige straf. De meeste mensen lezen boeken voor hun plezier. Is dat nu een straf? Je kunt er grappen over maken en voor ieder delict een mooi boek verzinnen dat verplicht gelezen en overhoord moet worden. Je kunt stellen dat dit weer zo’n typische uitspraak is van een rechter die niets liever doet dan ‘criminelen’ pamperen.

De vraag is of dat terecht is.

De laatste tien jaar hebben wij gezien hoe een ‘punitief populisme’ (hoe harder we straffen hoe beter) meer invloed begon te krijgen ten koste van nuchterder beschouwingen over wat werkt. In de criminologie wordt een zestal verschillende strafdoelen onderscheiden. Het afgeven van een signaal – dit tolereren wij niet – is daar zeker één van: de socioloog Émile Durkheim noemde dit meer dan een eeuw geleden al de bijdrage van de straf aan het collectieve geweten van een samenleving. Maar er zijn dus nog vijf andere strafdoelen. Naast vergelding, afschrikking en uitschakeling (wie vastzit, kan even geen delicten plegen) zijn dat het herstel van de schade en resocialisering: de voorbereiding van delinquenten op hun terugkeer in de samenleving. Dit laatste strafdoel is, omdat het een inspanning van de overheid (gevangeniswezen en reclassering) vergt, zelfs het enige dat expliciet in de wet is opgenomen.

De balans tussen die verschillende strafdoelen is verstoord geraakt. Repressieve, op de dader gerichte doelen als vergelding, afschrikking en uitschakeling zijn, met het symbolische signaleringsdoel, gaan domineren. Illustratief hiervoor is bijvoorbeeld de politieke druk om minimumstraffen in te voeren, strafmaxima te verhogen, strengere voorwaarden te verbinden aan taakstraffen of om ‘illegaal’ verblijf van ongedocumenteerde vreemdelingen strafbaar te stellen. Dit soort maatregelen zullen Nederland niet veiliger maken: het is pure symboolpolitiek. Het op het slachtoffer gerichte doel van schadeherstel blijft vaak een schamele schaamlap. En resocialisatie wordt gemakkelijk weggezet als een relikwie uit de softe jaren zeventig – terwijl uit onderzoek, bijvoorbeeld van het Sociaal en Cultureel Planbureau, juist blijkt dat straf zonder resocialisatieprogramma een averechts effect op de recidive heeft.

Wie in repressieve termen denkt, vindt al snel dat detentie de enige serieuze straf is. Maar aan een gevangenisstraf kleven ook belangrijke nadelen. Zo worden mensen in de bajes niet zelden verslaafd, leren zij er de fijne kneepjes van het ‘vak’ en belemmert het stigma ‘gedetineerde’ de heropname in de burgermaatschappij, waardoor contacten met de ‘foute vrienden’ van vroeger vaak de enige optie zijn. Daarnaast moeten we van de afschrikwekkende werking van de gevangenisstraf niet al te veel verwachten. Dat heeft misschien enig effect bij mensen die voor het eerst met justitie in aanraking komen en die in de samenleving nog iets te verliezen hebben, maar op de diehards maakt het niet zo’n indruk meer. ‘Gezeten hebben’ heeft zelfs zijn aantrekkelijke kanten. In criminele jeugdgroepen levert het je status op en als je dakloos bent, heb je er tenminste te eten en een dak boven je hoofd.

Mede vanwege de onwenselijke effecten van gevangenisstraf zijn in de jaren tachtig ‘alternatieve sancties’ ontwikkeld. Tegenwoordig noemen we dat taakstraffen. Aanvankelijk was de bedoeling dat deze sancties een ‘spiegelend’ karakter zouden hebben, dat wil zeggen dat zij de dader zouden confronteren met de gevolgen van zijn gedrag: zoals bijvoorbeeld de dronken rijder die in een revalidatiekliniek moest werken en een alcoholverkeercursus moet volgen.

Deze pedagogische component lijkt echter wat op de achtergrond te raken. Het accent kwam op de werkstraf te liggen, recentelijk uit te voeren met duidelijk op vernedering gerichte hesjes waarop staat dat men ‘werkt voor de samenleving’. Zo zien we tenminste wie de boef is! Vernedering: dat zal mensen leren… zou het? Criminologisch onderzoek laat iets anders zien: voor de effectiviteit van sterk expressieve straffen, zoals het mensen op militaristische wijze afblaffen en drillen in kampementen, is geen enkele empirische steun. Uit recidivecijfers kan niet worden afgeleid dat hoe harder je straft, hoe minder delinquenten in herhaling vervallen. Eerder het omgekeerde: de recidivepercentages van volwassen delinquenten liggen bij kortgestraften zo rond de 65 procent, bij langgestraften rond de 50 procent, bij taakgestraften op 33 procent, bij voorwaardelijk veroordeelden op 35 procent, bij mensen die een geldboete hebben opgelegd gekregen op 22 procent en bij mensen wier zaak is geseponeerd op 25 procent.

Schadeherstel wordt in toenemende mate gecombineerd met zogenaamde reputatiesancties. Voor het op het spel zetten van hun ‘goede naam’ blijken veel mensen wel gevoelig. Daarom worden deze straffen vaak toegepast bij door bedrijven gepleegde criminaliteit: geldboetes maken geen indruk, een bedrijf kun je niet in de gevangenis stoppen (en de verantwoordelijke aanwijzen is vaak moeilijk), maar met de reputatie van het bedrijf staat of valt het voortbestaan. Media-aandacht voor een zaak is hierbij een belangrijk middel. Maar dan moet je wel een reputatie hebben die je kunt verliezen, anders werkt het niet preventief en ‘re-integrerend’, maar is het alleen maar stigmatiserend. ‘Wegpiraat’ klinkt misschien nog stoer, maar te boek staan als iemand die gezinnen in diepe ellende stort, dat wil je toch niet.

Het vonnis van de politierechter uit Dendermonde heeft ons in ieder geval weer eens gewezen op het belang van een aantal centrale strafdoelen: hoe zorgen we ervoor dat iemand zijn schadelijke gedrag afleert en dat hij zich weer als braaf burger gaat gedragen? Idealistisch? Wellicht, maar de manier waarop wij straffen hangt dan ook sterk samen met onze opvattingen over democratie, humaniteit, beschaving en het beperken van menselijk lijden. Net als beschaafde landen mensen niet martelen of doden, proberen zij ook andere vernederende straffen zoveel mogelijk te voorkomen. En ach, van het lezen van een goed boek is nog nooit iemand slechter geworden.

René van Swaaningen is hoogleraar criminologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam