Fucking hobbit

Onderweg van Wenen naar het vliegveld kijk ik naar het landschap dat naast de snelweg ligt. Het is zes uur, de rode zon zakt langzaam weg achter de zware industrie – schaduwrijke machines en bergen industrieel afval. Ik noteer in mijn notitieboekje dat het ‘een Mordoriaans landschap’ is.

Er komt een moment in het leven van iedere man dat hij zich realiseert dat hij misschien wel iets te vaak aan The Lord of the Rings refereert. Dat er geen dag voorbijgaat dat zijn kleine, ronde collega binnenkomt en hij niet automatisch denkt ‘daar heb je die fucking hobbit weer’. Dat hij in het vliegtuig onderweg naar Wenen uitvalt tegen een vrouw op de rij voor hem, wier baby al een uur onafgebroken jankt en zij niets doet om hem te sussen, en het eerste dat in hem opkomt is ‘Jezus mens, dat kind krijst alsof het een Nazgûl is!’ Dat hij na afloop van een potje zaalvoetbal aan zijn team vertelt wat hij dacht toen de aanvaller van het andere team op hem afkwam: „En ik zag die gast met de bal aan komen snellen, en het was alsof ik Gandalf was en hij de Balrog van Moria, op de brug van Khazad-dûm, en ik was helemaal zo van ‘Flame of Udûn, you shall not pass!’’

„You like car?”, vraagt de taxichauffeur.

Ik zeg dat het een erg fijne auto is, je moet taxichauffeurs nu eenmaal complimenteren met hun auto.

„I play for Fenerbahçe, now I drive this Mercedes from airport to city and back.”

Ik zeg dat hij dan zeker erg goed moet zijn geweest. Uit zijn borstzakje haalt hij een opgevouwen foto, die hij met een moeilijke beweging naar achter geeft. De foto is oud en verkleurd, waardoor ik in eerste instantie denk dat zij uit de jaren 80 komt, maar daar is de chauffeur te jong voor. Ik kijk nog eens en ontdek hem dan, in het midden van het elftal, gehurkt, zijn handen op de bal. Dan pas zie ik wie er naast hem staat, zijn armen over elkaar: Pierre van Hooijdonk.

„Put your hands up for Pi-air”, zeg ik, in een poging luchtig te doen.

Op de foto kijkt de taxichauffeur omhoog de camera in, met grote kinderlijke ogen die een soort ongeloof uitstralen, alsof ook hij het onbegrijpelijk vindt dat hij profvoetballer was, alsof elk moment iemand hem kon knijpen en hij wakker zou schrikken.

„25 years. Someone kick on foot. Kaputt.”

Ik kijk nog eens naar de foto: zijn grote vissenogen. Echt zo’n Sméagol.

    • Joost de Vries