De vrouw in vogelkooi-jurk laat niet met zich sollen

Lucy & Jorge Orta: ‘16 Nexus-suits (1997). Gemaakt n.a.v. de tweede Biënnale in Johannesburg Foto Marc Pluim

„Doe eens iets Afrikaans!” zei de academiedocent tegen Yinka Shonibare. Vertwijfeld ging de kunstenaar op pad, naar de markt. En gelukkig: daar lagen Afrikaanse stoffen, met hun kenmerkende bonte dessins. De marktverkoper hielp Shonibare echter uit de droom: de stoffen die hij zag werden weliswaar voor de Afrikaanse markt gemaakt, maar vervaardigd in...Europa. En de grootste producent, de Vliscofabriek, bleek notabene in het Noord-Brabantse Helmond gevestigd.

Des te beter, vond Shonibare. Hij werd als Nigeriaan toch ook in zijn woonplaats Londen gevormd? En wat is dat eigenlijk: ‘typisch’ Afrikaans, in het licht van mondiaal vervagende identiteiten? Dit inzicht en de stoffen betekenden Shonibares doorbraak. Internationale shows zoals de Dokumenta toonden zijn interculturele installaties van mensfiguren in rococokostuums van ‘Afrikaanse’ stoffen uit Noord-Brabant. De mensfiguren hebben een lichtbruine huid – niet blank, niet zwart – als symbool van verschuivende identiteiten tegen een achtergrond van postkolonialisme en globalisering.

Shonibares installaties zijn op een expositie in het MMKA de ontbrekende schakel tussen Vlisco en kunst over postkolonialisme en globalisering. Daar blijkt dat de lichtbruine huid van Shonibares poppen een uitzondering is. De bonte dessins staan alleen op een echt donkere huid. En waar Europeanen hun kunstgeschiedenis herkennen in Shonibares installaties, kan enkel een Afrikaan de stoffen ervan ‘lezen’. Nadat die uit Helmond in West-Afrika zijn aangekomen, geven verkoopsters ze een eigen symboliek. Dessins met open vogelkooitjes betekenen: ga jij vreemd, dan doe ik het ook. Een print met zes cilinders, die Vlisco voor rijke Congolezen ontwierp, hád moeten uitdragen dat de vrouw die het droeg een man met een dure auto had. In Afrika laten vrouwen er echter mee zien dat ze zes bedpartners aankunnen. Zo kan een Afrikaanse vrouw een boodschap uitdragen waar ze tegelijk nooit op aangevallen kan worden: het is immers ook maar alleen een jurk.

Iets uitdrukken in symbolen was populair in Afrika, maar het is tevens de kern van beeldende kunst. Daarover gaat deze tentoonstelling. De papieren silhouetten die kunstenaar Kara Walker knipt, naar Britse tradities, onthullen in tweede instantie scènes van slavernij en seksueel machtsmisbruik. Dit spel van schijn is ook in de collages van Wanchegi Mutu aanwezig: tekeningen van baarmoedertumoren met knipsels uit Afrikaanse modetijdschriften.

En daarvandaan slingert deze magnifieke tentoonstelling associatief langs foto’s van het openbare leven, waar in Afrika kleur en lifestyle op straat liggen en weer terugkeren in kunst. Met Vlisco als kapstok weten de samenstellers, het kunstcollectief Suze May Sho, Nederlandse en Afrikaanse kunst te mengen met politiek en geschiedenis, en dat alles zonder gedoe over etniciteit. Met als onderliggende boodschap: kijk eens voorbij de Europese grenzen.

Vlisco moet dat wel doen. De Afrikaanse markt werd per ongeluk gevonden: het maakte in de negentiende eeuw batikstoffen in Indonesië, waar Afrikanen het meenamen naar huis. Vlisco verplaatste de productie naar Helmond – arbeid was hier nog goedkoop, Nederland verloor zijn kolonie, de Afrikaanse markt groeide. En zo ging Vlisco een heel eigen koers met wilde dessins, onvergelijkbaar met het strakke textiel dat destijds in Nederland populair was.

Vlisco kreeg de West-Afrikaanse markt in zijn greep, andersom gebeurde hetzelfde. Vlisco verloor de grip op zijn koers, en doet nu zijn best zich als mode- en designbedrijf te profileren. Dan is een museale expositie een uitkomst, al mocht Vlisco zich er volgens het museum niet inhoudelijk mee bemoeien. Wél sprak het bedrijf een veto uit tegen het affichebeeld van Viviane Sassen, die een Afrikaanse verkoper met lappen stof fotografeerde. Chinese namaak, zei Vlisco. Want terwijl de Parijse modeshows zowel in omvang als kleur verbleken bij die in Nigeria, zo neemt China inmiddels ook de Afrikaanse markt over.

    • Sandra Smets