Blij en dement

Mogen we iemand doden die niet meer weet of hij nog steeds dood wil? Daarover ging het indrukwekkende artikel dat Antoinette Reerink afgelopen weekend in NRC Handelsblad schreef. Het zal in menige huiskamer tot intense discussies hebben geleid, vooral in de huiskamer van de oudere lezer. Wie jong is, denkt weinig aan euthanasie, het is nog ver van je bed (mag je hopen).

Als lezer werd ik, net als de geïnterviewden, voortdurend heen en weer geslingerd tussen leven en dood. Welke keus was het meest verantwoord? Wat zou ik gedaan hebben als ik zo ziek (dement) was geworden als die vrouw, als ik haar man was geweest, haar huisarts en diens collega’s, zoals de verpleeghuisarts en de onafhankelijke artsen die hun steun moesten verlenen aan het verzoek tot euthanasie?

Er was in het artikel één passage die mij nogal verbaasde. „De huisarts overlegt met een ervaren verpleeghuisarts. Die kent zijn patiënt en vertelt hem dat zij bij dementerenden nooit euthanasie zou uitvoeren. In het verpleeghuis heeft zij ook nog nooit zo’n verzoek gekregen. ‘Ik zie alleen maar blije dementerenden’, zegt zij.”

Deze verpleeghuisarts was kennelijk niet bereid haar medewerking aan euthanasie te verlenen. Uiteraard haar goed recht, maar in hoeverre deugt haar argument: „Ik zie alleen maar blije dementerenden”?

Mijn vrouw heeft een poos als vrijwilliger in een verpleeghuis gewerkt. Haar verhalen over de dementerende bewoners heb ik altijd met enige ontzetting aangehoord. Daar viel weinig blijheid in te herkennen. Waren haar verhalen representatief of was het allemaal selectieve waarneming?

Later merkte ik bij mijn eigen moeder dat dementie inderdaad ook met enige opgewektheid gepaard kan gaan. Zij huilde nooit, was zelden overstuur, hoe bevreemd en gedesoriënteerd ze ook om zich heen kon kijken.

Maar dat er in verpleeghuizen alleen maar zulke ‘blije dementerenden’ zouden zijn, kan ik me niet voorstellen. Een verpleeghuisarts die zoiets zegt, probeert zich aan een fundamentele keus te onttrekken. Een andere verpleeghuisarts, Bert Keizer, heeft veel – en uitstekend – over dit onderwerp geschreven. Ook uit zijn werk rijst bepaald niet het beeld op van louter gelukkig levende dementiepatiënten.

De afgelopen dagen las ik het autobiografische boek De moeder van Nicolien van J.J. Voskuil. Het gaat over de schoonmoeder van Voskuil die langzaam aan dementie ten onder gaat. Toen dit boek in 1999 verscheen, heb ik het gemeden omdat ik in die periode al genoeg met dementie geconfronteerd werd. Bovendien kende ik bepaalde delen al uit Het Bureau, de romancyclus van Voskuil.

Het is het aangrijpendste boek van Voskuil. Hij laat treffend zien hoe machteloos en vaak onwetend familie op dementie reageert en wat een verblijf in een verpleeghuis voor alle betrokkenen betekent. Veel blijheid valt er niet in te bespeuren. Ik sluit af met dit kenmerkende citaat. Maarten Koning brengt met zijn vrouw Nicolien een bezoek aan het verpleeghuis.

„Daar zit ze”, zei Nicolien nog voor hij haar zelf in de gaten had. Ze zat naast een andere oude vrouw, haar armen op de leuningen van haar stoel, wezenloos voor zich uit kijkend. Ook toen Nicolien zich naar voren boog en haar gezicht vlak voor het hare bracht, merkte ze haar niet dadelijk op. „Daar ben ik”, zei Nicolien vrolijk. Haar moeder schrok op, meteen daarna herkende ze haar. „O ben je daar? Mag ik mee?”