Anne Frank was maar één van de velen

In de oorlog zijn in Nederland duizenden Joodse, Roma en Sinti kinderen door de nazi’s afgevoerd en vermoord. Anne Frank kennen we, de andere kinderen hebben dankzij Guus Luijters nu ook een naam, een gezicht en een verleden. „Ze mochten niet hebben bestaan.”

Als kleuter kwam Guus Luijters (1943) tijdens een wandeling met zijn vader terecht in de onttakelde Amsterdamse Jodenbuurt. Doodstil en verlaten was het daar. „Waar is iedereen?” vroeg het kind. „Weg”, antwoordde vader.

Die onthutsende ervaring heeft de latere dichter, schrijver en journalist nooit meer losgelaten. Vooral de spoorloze verdwijning van duizenden kinderen bleef hem sinds zijn kindertijd achtervolgen. Allemaal kennen we Anne Frank, haar dagboek en haar laatste adres in Amsterdam. Van haar 18.000 doorgaans anoniem gebleven jeugdige lotgenoten weten we meestal niet eens dat ze bestonden, laat staan waar ze zijn gebleven.

Dankzij intensieve naspeuringen is Luijters er bijna vijftig jaar na zijn eerste confrontatie met de uitgestorven Jodenbuurt in geslaagd alle uit Nederland gedeporteerde Joodse, Roma en Sinti kinderen te traceren. Geïnspireerd door Mémorial des Enfants juives deportés de France uit 1995 van de Franse Holocaust-onderzoeker Serge Klarsfeld, stelde hij na vier jaar archiefonderzoek het monumentale In Memoriam samen met daarin alle namen, adressen, geboorte- en sterfdata en -plaatsen en, waar mogelijk, foto’s.

„Met dit boek heb ik de vermoorde kinderen uit de anonimiteit van het abstracte getal willen halen, ze hun naam teruggeven en indirect hun familie”, zegt Luijters, die zichtbaar aangedaan de kale feiten opsomt. „Tussen 15 juli 1942 en 13 september 1944 zijn vanuit Nederland 19.048 kinderen gedeporteerd. Van deze 19.048 zijn er 17.964 vermoord. In mijn boek gaat het om kinderen van nul tot achttien jaar, geboren tussen 15 juli 1924 en 13 september 1944. De nazi’s hebben al hun sporen proberen uit te wissen, ze mochten simpelweg niet hebben bestaan. De Nederlandse overheid heeft op alle mogelijke manieren aan hun verdwijning meegewerkt. Behalve het georganiseerde verzet en enkele particulieren heeft niemand een vinger uitgestoken om hen te redden. In andere landen waren er soms burgemeesters of politiecommissarissen die weigerden hun medewerking aan de jodenjacht te verlenen. Dat is bij ons niet gebeurd.”

Nadat Luijters zich aan het begin van zijn onderzoek enkele maanden in de schaarse gegevens van de kinderen had verdiept, lichtte hij er de willekeurig gekozen Sientje Abram uit, om na te gaan wat hij over een doorsneekind als zij te weten zou kunnen komen. Het karige resultaat van deze casestudy, aangevuld met zijn voorstellingen van dit op 13-jarige leeftijd in Auschwitz vergaste meisje uit de Amsterdamse Rapenburgerstraat, publiceerde hij in 2010 in het epische gedicht Sterrenlied.

„Vier jaar lang ben ik bezig geweest met zo’n twintigduizend kinderen die ik op de deportatielijsten aanvinkte. Elk onderzoek naar één kind was een enorme operatie, waar ik iedere dag mee opstond en mee naar bed ging. Na verloop van tijd maakte zich uit die immense groep kinderen een paar individuen los die zich hevig aan mij opdrongen. De eerste was Sientje. Zij begon zo’n grote plaats in mijn leven in te nemen dat zich vanuit het niets de eerste regels aandienden van Sterrenlied: ‘Nieuwe namen die ik heb geleerd….’ Zolang iemands naam genoemd wordt, is hij niet verdwenen, luidt een joods gezegde.”

Alle gevoelens van verbijstering, woede, vertedering en verdriet die hij tijdens zijn deprimerende zoektocht ter zijde moest schuiven projecteerde hij in Sientje. „Daardoor kon ik mijn emoties eronder houden. Maar toen in november 2009, na een oproep die ik deed in het Nieuw Israëlitisch Weekblad, de eerste foto’s binnenstroomden, viel het hele onderzoek als een huis bovenop me. De kinderen, wier namen mij jarenlang onder ogen waren gekomen, waren ineens echt, doodgewone kinderen zoals wij waren, of onze kinderen en kleinkinderen. Ja, die foto’s hebben me emotioneel behoorlijk ontregeld.”

Van Sientje Abrams is helaas geen foto opgedoken. „Hoe proletarischer de achtergrond en hoe joodser de buurt, hoe minder foto’s er bewaard zijn”, zegt hij na een stilte. „Foto’s zijn vaak aan buren gegeven, maar die werden ook gedeporteerd. Uit de Rapenburgerstraat alleen al zijn 700 mensen vermoord.”

Met de foto’s kwamen ook de verhalen, waardoor sommige kinderen zich nog sterker in zijn hoofd en hart nestelden. Luijters hoopt dat In memoriam en de gelijknamige tentoonstelling in het Amsterdams Stadsarchief eenzelfde effect hebben op iedereen die er kennis van neemt. In de hal van het Stadsarchief worden op een 65 meter lange tafel aan weerszijden alle 3.000 foto’s tentoongesteld. „Ze zijn geordend per transport, zodat je als bezoeker chronologisch door de tijd wandelt waarin de kinderen werden weggevoerd. Die beelden heeft nog nooit iemand bij elkaar gezien, ik ook niet.”

Van alle gedeporteerde kinderen zijn er op de tentoonstelling vijftien uitgelicht in vitrines met foto’s, voorwerpen als een schoolrapport of een gedragen jodenster en van ieder kind een korte biografie. „Het zijn de jongens en meisjes met wie ik me het intensiefst heb beziggehouden. Behalve Sientje Abram is dat bijvoorbeeld Appie van Coevorden. In maart 1943 ging dit veertienjarige jongetje uit de Amsterdamse Govert Flinckstraat samen met zijn moeder Branca Soep op transport naar Westerbork. „In 2009 schreef zijn neef mij: „Appie nam z’n grootste bezit – z’n mondharmonica – mee naar Westerbork, z’n moeder haar werkschorten, ‘want’, zei zij, ‘ik kan hard werken, we slaan ons er wel doorheen’. Een paar dagen later werden ze vergast in Sobibor.”

Eén van de vijftien vitrines is gewijd aan Anne Frank, op 3 september 1944 als vijftienjarige op transport gesteld naar Auschwitz, en vandaar naar Bergen-Belsen, waar ze in maart 1945 om het leven kwam. „Haar vitrine ziet er net zo uit als de andere”, zegt Luijters. „Daarmee is dit icoon van de Holocaust één van de slachtoffers geworden en niet langer het unieke symbool van alle vermoorde kinderen.”

Heel af en toe kwam hij op de transportlijsten kinderen tegen wier lot hij niet kon achterhalen. „Die bleken het te hebben overleefd, zoals de vader van Bram Moszkowicz en de moeder van Arnon Grunberg. Zij behoren tot de 126 kinderen die uit de vernietigingskampen zijn teruggekomen.”

Van 58 gedeporteerde kinderen heeft Luijters niet kunnen vaststellen wat met hen is gebeurd. „Ik hoop dat mijn boek een nieuwe impuls geeft om hun lot te onderzoeken, want natuurlijk is het werk niet klaar. Nog iedere dag komen er foto’s binnen, ik heb kinderen gemist en fouten gemaakt. In Memoriam is een tussenstap waar zeker een vervolg op komt.”

Elsbeth Etty

In Memoriam De gedeporteerde en vermoorde Joodse, Roma en Sinti kinderen 1942-1945. Samenstelling Guus Luijters, beeldredactie Aline Pennewaard. Uitgever Nieuw Amsterdam, 1.024 blz, €99.95. Het is vanaf 9 februari te koop. Vanaf 10 februari is in het Amsterdams Stadsarchief de tentoonstelling In Memoriam te zien. Info: stadsarchief.amsterdam.nl. Op 12 februari zendt de Joodse Omroep de documentaire Herinnering aan een vermoord kind van Willy Lindwer uit. (Nederland 2, 14.15 uur). De docu draait ook op In memoriam in het Stadsarchief.