Zwart ijs

Met de punt van mijn schoen schoof ik gisteren de sneeuw van het natuurijs. Langzaam ging wit over in zwart. Liefhebbers van schaatsen dromen ervan: zwart ijs. Met scherpe schaatsen glijden ze het liefst over zo’n donkere vlakte.

Ik had een stukje ijs sneeuwvrij gemaakt en tuurde er doorheen. Alex van Warmerdam schreef voor zijn film De Noorderlingen (1992) een scène waarin de kijker tergend langzaam een meisje – met het gezicht omhoog – onder het ijs voorbij ziet gaan. Adembenemend. Beangstigend. Mooi.

Terwijl kinderen met zwikkende enkels over de Kralingse Plas schaatsten, moest ik denken aan de ontij-melding van zaterdagmiddag.

In Rijpwetering was een ijsmeester door het ijs gezakt en verdronken. Het was Frans Zoetemelk, de 55-jarige broer van wielrenner Joop Zoetemelk. Frans was vroeg in de ochtend bij een vlonder aan de bevroren Koppoel het ijs gaan controleren. Het ging mis. Hij schoof eronder. Reanimatie mocht niet meer baten.

Een paar maanden geleden sprak ik Joop Zoetemelk naar aanleiding van zijn biografie Een open boek. In het boek vertelt Joop over zijn jeugd. Hij was als kind snel op schaatsen. Hij kwam voor het eerst in de krant met een bericht over een gewonnen wedstrijd korte baan.

Uit de Leidsche Courant van 7 februari 1956: „Gistermiddag hield de Rijpweteringse IJsclub kortebaanwedstrijden voor de schooljeugd. Er was nog een behoorlijk stukje ijs gevonden waarop een fatsoenlijk baantje was gemaakt. Dat viel dus nog mee, want over het algemeen is het ijs in de hele omgeving bar slecht.”

Joop won als negenjarige op het natuurijs achter zijn ouderlijk huis. In datzelfde waterrijke gebied, in de Koppoel, zakte zijn broer Frans afgelopen zaterdag door het ijs en verdronk.

Toen Joop in 1980 de Tour de France won, werd hij in Nederland gehuldigd. Fans trokken naar Rijpwetering. Ze stonden met duizenden langs de kant. Joop voer in een boot over de Koppoel.

De Koppoel. Ik ben er nooit geweest. Het is een naam die de familie Zoetemelk al decennialang uitspreekt. Ze kennen het water als hun broekzak. Ze weten hoe het is om er in te zwemmen en te roeien. Ze kennen de geur van het water, in alle jaargetijden. Na dit weekend komt het zorgeloze beeld van de Koppoel nooit meer terug.

Zeven jaar geleden verbleven Joop en ik een paar dagen hoog in de Alpen, vlakbij zijn vakantieappartement. We gingen op zoek naar gemzen. We kwamen boven de boomgrens. Op bergtoppen trotseerden we gure wind en sneeuwstormen. Joop, tanige Joop, leek onaangedaan. Kou deed de oud-wielrenner niets.

Als actief wielrenner herinner ik me Joop als klimmer in de brandende zon. Hij reed zijn mooiste etappes in de hitte, hoog in de bergen. Joop ging in Frankrijk wonen.

Frans Zoetemelk bleef zijn geboortegrond trouw. De winter, dat was voor hem de beste tijd. Voor ijsmeester Frans kon de vorst niet snel genoeg komen. Na het bericht van Frans’ dood, roemden kennissen van de ijsclub in Rijpwetering zijn liefde voor het maken van een natuurijsbaan.

Zoals Joop warmte adoreerde, zo hield Frans van de kou.

Tussen ijspret en de hel zit maar een dun laagje bevroren water.

    • Wilfried de Jong