'Onpartijdig voedingsadvies kan niet'

Ja, wetenschappers worden beïnvloed als ze met de industrie over veiligheid overleggen, zegt scheidend risicobeoordelaar Evert Schouten. Maar is dat erg?

Kelly Brazier, a supermarket store worker, washes down the empty shelves following the removal of pork products from their store in Crumlin, Northern Ireland, on Monday, Dec. 8, 2008. Irish pork producers are facing a 100 million-euro ($128 million) bill to recall all pork products made from pigs slaughtered in the country after tests confirmed some meat contained dioxins. Photographer: Paul McErlane/Bloomberg News BLOOMBERG NEWS

De voedselinspectie hoorde in 2008 van een dioxinevervuiling in varkensvlees uit Ierland. Moest Nederland onmiddellijk ál het varkensvlees weggooien? Of alleen het Iers vlees uit de schappen halen? Of niks doen, omdat de kans klein is dat iemand zo veel Iers varkensvlees eet dat het echt schadelijk is? Het was een van de veiligheidsdilemma’s waar de overheid afgelopen jaren mee kampte.

Zo waren er veel: Schmallenbergvirus bij schapenlammeren, ijzertoevoeging aan ontbijtgranen, genetisch gemodificeerde maïs, Q-koorts, elektromagnetische straling. Gevoelige onderwerpen waar het bedrijfsleven vaak lijnrecht stond tegenover belangengroepen zoals Greenpeace of Nederland Stralingarm. En waar de overheid kampte met kritische journalisten, Kamervragen of schadeclaims.

Prof. dr. Evert Schouten stond er acht jaar middenin. Tot vorige maand was hij directeur van het bureau risicobeoordeling van de Nieuwe Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (VWA), die waakt over de veiligheid van consumenten.

Schouten was ook deeltijdhoogleraar voeding en preventie op de Wageningen Universiteit, dezelfde universiteit die onlangs door Wakker Dier werd beschuldigd van te grote verwevenheid met de melkindustrie. Zijn afscheidsrede afgelopen donderdag ging over de vraag hoe onderzoekers én de klant kunnen dienen én onafhankelijk kunnen blijven.

Slaagde u erin onafhankelijk te blijven van belangenpartijen?

„Wetenschappers zoals wij moeten onze onafhankelijkheid soms even opzij kunnen zetten om een bruikbaar advies te kunnen geven. Toen ons bureau werd opgericht, kregen we als taak onafhankelijk en op wetenschappelijke basis risico’s te beoordelen. Aanvankelijk vatten we dat heel letterlijk op. Moesten we bijvoorbeeld de risico’s inschatten van een dioxinevervuiling, dan bogen we ons niet over de vraag of je nu al het verontreinigde vlees zou moeten terugroepen. We maakten een risico-inschatting, maar zeiden niet wat er moest gebeuren. Dat beschouwden we niet als onze verantwoordelijkheid. Ik weet nog het moment dat ik dacht: dit werkt niet goed. En de risicomanagers bij de VWA en de ministeries, onze klanten dus, vroegen ons ook vaak wat wij nu geschikte maatregelen zouden vinden. Wij waren immers de experts.”

Jullie gingen met de industrie praten over de concrete maatregelen?

„Als dat nodig was, ja. Bijvoorbeeld: bij een van onze onderzoeken was gebleken dat er in veevoer waarin geen antibiotica moest zitten, toch vaak sporen antibiotica meetbaar zijn. Juist zo’n voortdurende lage dosis kan resistentie in de hand werken. Uit gesprekken met de veevoerindustrie bleek toen dat zij nooit volledig zouden kunnen garanderen dat die twee stromen van veevoer met en zonder antibiotica altijd gescheiden zijn. Waarop wij weer gingen onderzoeken of andere toedieningsmethoden, zoals via drinkwater, voor vee een oplossing is. Natuurlijk word je als wetenschapper in zo’n fase beïnvloed. Daar staat tegenover dat je met bruikbaardere adviezen komt.”

Was de overheid altijd blij met uw werk?

„We merkten soms dat we niet om advies werden gevraagd omdat al onze risicobeoordelingen openbaar moeten zijn. Als de ministeries ons advies dan niet opvolgden, kon dat leiden tot lastige vragen. Bijvoorbeeld bij de Q-koorts. De overheid heeft te lang gedacht dat dit een voorbijgaand probleem was.”

U noemt in uw afscheidrede die verweving de kat op het spek binden.

„Ja, maar ook bij verweving kan de risicobeoordeling nog strikt onafhankelijk blijven. Door duidelijk en open te zijn over de belangen en de afwegingen, hoeft de geloofwaardigheid er niet onder te lijden. We besteedden die beoordeling bovendien vaak uit aan een instituut zoals het RIVM. Hun rapport werd dan bijgevoegd, zodat iedereen de stap van risico naar advies kan beoordelen.”

Hoe blijven de voedingsonderzoekers van de Wageningen Universiteit onafhankelijk?

„In alle contracten staat dat het onderzoek meteen kan worden gepubliceerd en dat de universiteit vrij is in zijn uitingen over de onderzoeksresultaten. Verder werkt ook hier transparantie het beste. We hebben als voedingsonderzoekers de gewoonte om bijvoorbeeld cadeautjes of adviseurschappen met elkaar te bespreken. Is de beloning niet disproportioneel? In tijdschriften waarin we onze artikelen publiceren moeten we onze belangen, zoals nevenfuncties en vergoedingen, melden. Ook de EFSA, de organisatie die voor de EU de voedselveiligheid bewaakt, stelt nu vermelding van nevenfuncties op zijn site verplicht. Er zijn meer mechanismen gekomen om de onafhankelijkheid te waarborgen.”