Leeghoofdige corpsballen met homofobie

Philip Huff: Niemand in de stad. De Bezige Bij, 348 blz. € 19,90 ***

De personages in Philip Huffs tweede roman Niemand in de stad zijn geborneerde, cultuurloze klootzakken die zichzelf niettemin ver boven anderen verheven voelen. Ze zijn lid van het Amsterdamse Studenten Corps, waar eerstejaars zich in coma moeten drinken om in aanmerking te komen voor een kamer in een studentenhuis en waar op antisemitisme, seksisme en homofobie geen taboe rust.

Dit gegeven lijkt het recept voor een ferme aanklacht of een meewarige veroordeling. Maar wat de roman verrassend geslaagd maakt, is dat Huff zijn leeghoofdige personages en hun bizarre gedragingen volkomen serieus neemt: hij beschrijft geen komische lullo’s, maar dringt diep door in het geestesleven, of liever het gebrek daaraan, in de moderne biotoop van de aloude spes patriae.

Hoofdpersoon Philip Hofman, het alter ego van de schrijver, studeert geschiedenis zonder enige interesse voor dat vak te hebben. Hij komt uit Aerdenhout, evenals zijn vriendinnetje Elisabeth, en voldoet in alle opzichten aan het cliché van een brallende corpsbal – in dit geval eentje van het dispuut Vondel, waarvan de leden ‘Vondelingen’ heten. Het chique pand waarin zij wonen heet het Weeshuis en bevindt zich pal naast het Anne Frankhuis aan de Prinsengracht. Uit het feit dat de kastanjeboom in de buurtuin gestut moet worden, blijkt dat de roman zich in 2008/2009 afspeelt. Voor het overige is de buitenwereld zo ver weg en zijn de problemen waar de personages mee ‘worstelen’ zo benepen, dat je je in de jaren vijftig waant.

De wereld van de Vondelingen beperkt zich tot het Weeshuis en de sociëteit NIA, even verderop aan de Warmoesstraat, waar ze hun dies en lustrums houden, hun vader- en zoondagen en andere weemakende feesten vieren. Philip brengt het tot ab actis van het corps, zodat hij een speciaal vest mag dragen waarmee hij in de smaak valt bij eerstejaars corpsmeisjes.

Binnen deze wereld van corpsballen is er eentje die afwijkt: Jacob baron van Wijnbergen tot Heerde, een ouderejaars en voor Philip een soort vader. Jacob laat hem kennis maken met literatuur en muziek en levert hem het idee voor zijn scriptie over Bob Dylan. Maar Jacob, zo blijkt al uit de eerste zin van de proloog, zal verdwijnen.

Niemand in de stad (naar een nummer van De Dijk) begint met suspense en dat is niet de enige gelijkenis met die andere campus-roman, The Secret History van Donna Tartt uit 1992. Een andere overeenkomst is dat de amorele studenten om wie het draait bij Tartt zich een elite wanen, terwijl ze weirdo’s zijn. Het grote verschil met Huffs personages is dat ze zich in hoge mate interesseren voor hun studie Grieks, terwijl de Vondelingen alleen maar studeren omdat het hoort.

In dat opzicht verwijst Niemand in de stad naar Virginia Woolfs roman Jacob’s Room (1922) waarin we een groep Cambridge-studenten aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog in onnozele onwetendheid op de rand van de vulkaan zien dansen. In beide boeken speelt Jacobs minutieus beschreven kamer een grote rol. En net als Woolfs titelheld speelt verborgen homoseksualiteit ook Huffs Jacob parten: niet alleen voor zijn strenge vader moet zijn herenliefde geheim blijven, maar zelfs voor zijn boezemvrienden in het Weeshuis.

Dat vormt de zwakste stee in deze geweldig geschreven roman over twee lege jaren uit het leven van een stel verwaten Amsterdamse studenten. Dat het corps een achterlijk instituut is is bekend, en wordt nog eens bevestigd door de krankjoreme dialogen en absurdistische sfeerbeschrijvingen waar Huff als een circusartiest mee jongleert, maar dat homo’s er in de kast moeten blijven gaat er bij mij niet in. Dan waren de ‘apostles’ van Trinity College waar Woolf een eeuw geleden over schreef een stuk verder dan de weeskinderen van Huff.