Humane manier om dikte van het ijs te meten

In 1858, in het eerste deel van zijn Spreekwoordenboek, vermeldde P.J. Harrebomée de zegswijze: de kinderen Abrahams durven zich niet ligt op zwak ijs wagen. Een jaar later nam P. Leendertz het Harrebomée in een recensie kwalijk dat hij onvoldoende onderscheid had gemaakt tussen „patricische spreuken” en echte, volkse spreekwoorden. Want zegt het volk werkelijk de kinderen Abrahams durven zich niet ligt op glad ijs wagen?

„Neen”, meende Leendertz, „zoo deftig, zoo stijf, zoo pedant had ik haast gezegd, drukt zich het volk niet uit; het zegt: er liggen balken onder het ijs, de Joden loopen er op.”

Over Joden bestonden en bestaan allerlei vooroordelen. In de 19de en het begin van de 20ste eeuw waren dat er meer dan nu. Uit tientallen uitdrukkingen blijkt bijvoorbeeld dat men vond dat Joden stonken, vies waren, slepend liepen en bovengemiddeld veel kabaal maakten.

Bovendien ging men ervan uit dat Joden veel voorzichtiger waren dan niet-Joden. Zo zei men bijvoorbeeld de Jood heeft het geproefd, dan zal het wel goed zijn, een uitdrukking die in 1861 voor het eerst is aangetroffen. Uit 1870 dateert de zegswijze als eens een Jood over de brug is, dan heb je ze allemaal, waar wij nu zeggen als er één schaap over de dam is, volgen er meer.

En er waren dus diverse uitdrukkingen die Joden in verband brachten met de dikte van het ijs. In 1869 is in Friesland de uitdrukking gesignaleerd er komen balken onder het ijs, de Joden beginnen het te beproeven, met als verklaring „het ijs is zo sterk, dat zelfs de Joden, die als vreesachtig werden beschouwd, het proberen”. In Groningen zei men: zolang er nog geen paardenvijgen op het ijs liggen, gaat een jood niet schaatsen. Een Drents woordenboek uit 1996 vermeldt moeder er loopt een jood over het ijs voor ‘wij kunnen nu gaan schaatsen’. De toelichting luidt: „Kinderen mochten pas op het ijs, als er een jood van de ene kant naar de ander over het ijs was gelopen.”

Ook in de schaatsliteratuur is het nodige over Joden en ijs te vinden. In 1888 schreef J. van Buttingha Wichers in een standaardwerk over de geschiedenis van het schaatsenrijden: „Ook tegenwoordig toch durft het nakroost van Sem, volgens het zeggen van het volk althans, nimmer op het ijs komen indien er ‘geen balkies onder liggen’.” Hij citeert een gedicht over een Jood die dit duur komt te staan. Iemand zakt door een wak, iedereen schiet hem te hulp, behalve de Jood, die achteruit deinst. Daardoor wordt hij geraakt door een koets die uitwijkt voor de menigte. „Hier leidt de Jesusdooder dood / Geviervoet met de harssnen bloot, / Hij vreesde ’t ijs van onder, maar / De dood was boven alzoo naar.”

De Grote Van Dale vermeldt wel er zijn nog geen balken onder het ijs voor ‘het ijs is nog niet sterk genoeg’, maar ijsvrezende Joden ontbreken. Het Woordenboek der Nederlandsche Taal kent ze wel. In 1914 schreef dit wetenschappelijke woordenboek: „Men spot met de angstige voorzichtigheid der Israëlieten door te zeggen ‘dat zij niet op het ijs gaan, of er moeten balken onder zijn’. Een Jood op het ijs wordt dan ook als iets bijzonders aangewezen.”

Ook in de literatuur vinden we verhalen over Joden die voorzichtigheidshalve ijs vermijden. Zo schreef Carry van Bruggen in 1907 een verhaal over Theo die verliefd is op het Joodse meisje Juultje. Ze spreken af om samen te gaan schaatsen, maar na een nacht dooi haakt Juultje af. „Na ’n half uur wachtend heen-en-weer scharrelen, bond Theo af, lusteloos en teleurgesteld. En hij dacht, spottend: Natuurlijk, ze komt niet, er liggen geen balken meer onder, toch ’n écht Jodenkind.”

Overigens vonden de Friezen het sowieso geen goed teken als er Joden op het ijs kwamen. Zo zei men een Jood op het ijs, het begint te dooien en oude wijven of Joden op het ijs, geeft dooiweer. Kort samengevat: Joden komen pas op het ijs als het superveilig is. En als ze dan op het ijs komen, begint het meteen te dooien. Anders gezegd: het is niet goed of het deugt niet.