De kaart is niet het gebied

Als je op een hoogst efficiënte manier een gevangenis wilt runnen, dan kun je het best alle gevangenen bij binnenkomst meteen doodschieten. Dat zegt Paul Frissen, lid van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO), een adviesorgaan voor de regering. U ziet dat op hoog niveau iedere mogelijkheid tot vooruitgang serieus wordt onderzocht.

Nu haast ik me te zeggen dat de Raad natuurlijk tegen het doodschieten van gevangenen is. Frissen wil maar zeggen dat je als bestuurder meer belangen in de gaten moet houden dan efficiëntie of kostenbeheersing alleen. Waarden als veiligheid en rechtvaardigheid zijn ook relevant. Dus als je zo fabelachtig efficiënt werkt dat gevangenen van de weeromstuit doodgaan, dat banken instorten, fabrieken ontploffen, dat steden verloederen en dat universitair studenten al aan het begin van hun studie een diploma cadeau krijgen, dan moet je bij jezelf nagaan of je wel de juiste afwegingen maakt.

In reactie op het financiële debacle bij woningcorporatie Vestia schrijven cultuurfilosofen deze dagen in de krant dat we ten onder gaan aan de cultus van efficiëntie en deelbelangen. En dat zulks de schuld van de managers is. Van graaiende, frauderende en onverschillige managers en bestuurders. Cowboys, schrijft de een. Polderbaronnen, schrijft de ander. Op de site van het tijdschrift Binnenlands Bestuur concludeert een manager dat hij inmiddels bijna net zo laag in aanzien staat als een pastoor.

In deze grimmige sfeer kan een recent rapport van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling – Tegenkracht organiseren – de gemoederen bedaren. Het laat zien dat het blindstaren op deelbelangen niet alleen ligt aan de slechtheid van managers, maar ook aan algemene denkstructuren. Aan methoden die we allemaal hanteren. Jawel, er zijn graaiers en gemene oplichters, en de duivel moge ze komen halen, maar brave mensen in organisaties zijn ook vatbaar voor denkwijzen die op den duur leiden tot ellende. Voor perverse prikkels waardoor de hele organisatie vergeet wat ze eigenlijk aan het doen was, zodat deelbelangen gaan domineren.

Een van de gevaren waaraan brave mensen blootstaan is dat ze een model maken en dat vervolgens aanzien voor de werkelijkheid. Het rapport van de Raad geeft het voorbeeld van de Citotoets. Die toets is in feite niet meer dan een hulpmiddel bij het nemen van beslissingen over vervolgonderwijs, maar vervolgens gaat het simpele getal van de Citoscore de hele structuur van het basisonderwijs overheersen. Lesmateriaal en onderwijs worden erop aangepast, lijsten met resultaten gaan rondzingen, ouders kiezen een basisschool met de hoogste scores, het kind wordt zijn Citoscore. De rest van het kind verdwijnt in de prullenbak, bij de rest van de onderwijsdoelen.

Dit blindstaren op een deel van de werkelijkheid kom je niet alleen tegen in het onderwijs en de zorg, waarover de RMO schrijft, maar ook op allerlei andere terreinen. Het kind wordt zijn Citoscore, de patiënt wordt zijn cholesterolgehalte, de homo economicus wordt zijn nutsfunctie, de roman wordt zijn oplagecijfer, de gevangenis wordt zijn kostenplaatje. Als bestuurders en managers zich door dit soort weergaven laten leiden en de rest van de werkelijkheid overboord kieperen, zijn ontplofte corporaties en verloederde kinderen het gevolg.

Misschien denkt u dat het zo’n vaart niet loopt. Dan wil ik u toch eens vragen te kijken naar het leerzame voorbeeld van Maastricht Aachen Airport. Daar werd jaren geleden de werkelijkheid op opmerkelijke wijze ondergeschikt gemaakt aan het model.

Rondom vliegvelden ligt een virtuele risicocontour, een lijn op de kaart, die aangeeft hoe groot het risico is om binnen het aangegeven gebied slachtoffer te worden van een luchtvaartongeval. Na politieke afweging was besloten dat bij het vliegveld in Limburg maximaal drieëntwintig huizen mochten liggen binnen de contour waar dat risico was gesteld op tien tot de macht min vijf. Toen in 2003 een rapport werd opgemaakt, bleken veel meer huizen binnen die contour te liggen.

Als dit voor politici en bestuurders onacceptabel was, zou je verwachten dat er moeite zou zijn gedaan om de situatie in werkelijkheid te verbeteren. In plaats daarvan werd de situatie op de kaart verbeterd. Er kwamen graafmachines, de landingsbaan werd in het echt een stuk korter gemaakt en daarmee verschoof de contour op de kaart. Door het inkorten van de landingsbaan was de situatie natuurlijk in werkelijkheid niet veel veiliger geworden, maar op papier wonderlijk genoeg wel. Daar lag opeens geen enkel huis meer binnen de contour.

Dit voorbeeld, dat ik onlangs leerde kennen, heeft me dieper dan ooit doordrongen van het belang van de werkelijkheidstoets. De ellende in de wereld wordt niet alleen veroorzaakt door slechtheid, maar ook doordat we vergeten wat we eigenlijk aan het doen waren. Toets daarom af en toe aan de werkelijkheid. Probeer je iets heel efficiënts te doen met streefgetallen en de boel explodeert, wordt onveiliger, onrechtvaardiger, gaat failliet, splijt uiteen, barst open, wordt ziek en blijft achter bij de Chinezen, dan doe je waarschijnlijk iets toch niet goed.

    • Marjolijn Februari